elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: heel

heel , heel , voor zeer.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
heel , hijl , hail, heil , (= heel, geheel), voor: lomp, onhandig, eenvoudig, zonder erg, slungelachtig; doe staist’r zoo hijl bie = gij weet er niet mee om te gaan; ook: gij kunt u in dat gezelschap niet bewegen; “mien boer stou ’t net zoo hijl as’n met ’t haspeln: ijn hand har e an de piep en de ander in buus.” – Voor: heel, geheel, in: hier hijl = zelfs tot hier; doar hijl = zelfs tot daar; de bal is doar hijl hen rōld = tot daar, in de verte, heen gerold; hij kōmt doar hijl heer = hij is ver van hier overgekomen; ik ken de hijle man nijt = ik ken dien man in ’t geheel niet; ik heb ’t hijle bouk nijt zijn = ’k heb dat boek in ’t geheel niet gezien; wat ligt mie an dei hijle kerel gelegen! = er ligt mij niets aan dien man gelegen; die hijle kemedie is mie niks weerd; doar is hijl gijn zeggen van; doar is hijl gijn bewies veur; da’s hijl fijn kerel veur heur; gunder hijl = heel ginds; de eerappels leggen hijl op schuddel = de aardappelen zijn door ’t koken niet verbrokkeld; ’t kopke is nog hijl = het kopje is nog heel, niet gebroken; de hijle boudel = al wat er is, de heele boel. Zie ook: hijl wel. Vgl. heel 2, bij v. Dale.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
heel , heel , (zelfstandig naamwoord) , Voordeel. De woordenlijst in Karaktersch. 332 (a° 1816) vermeldt: “heel, voordeelˮ. Het woord schijnt thans onbekend te zijn. Misschien werd het gebruikt in een zin als: “Daar heeft hij geen heel van gehadˮ. – Vgl. Mnl. heel, heil, geluk, b.v. Merl. 2969: Sathanas pensede om geen heel (niet om geluk aan te brengen), maer ombe der vrouwen scade (Mnl. Wdb. III, 261).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
heel , heel , (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord) , Daarnaast soms nog hiel. Zie de wdbb. || De hiele boel is stukkend. Woont-i deer (daar) hiel? – Ook in ongewone toepassing. ʼt Is hier toch zo heel vandaag, ’t is toch zo druk en roezig (als er veel mensen komen, als er druk door elkaar wordt gepraat). ʼt Wordt me heel voor me ogen, alles wordt een waas, het draait voor mijn ogen (b.v. op een kermis, een tentoonstelling, enz.).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
heel , hijl* , hierbij ook hijl nijt = in ʼt geheel niet, geheel niet (elders wel: heel geen), Hoogduitsch gar nicht, (vergelijk: nooit ); hìj1 we1 (zonder klemtoon = stellig) “al mien best”; vergel. ook “heel” (2) bij v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
heel  , hiël , geheel, zeer. Hiël groeët, zeer groot.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
heel , heel , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1 gans, geheel, 2 bw. erg, 3 volkomen, 4 stroef in de omgang; t heele spil, de hele boel; n heel spil, een heel gedoe; nen heeln, een ongenaakbaar iem., iem. van wie men niks gewaar wordt
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
heel , heel , gesloten. Die lui binne zo hil az wat (vertellen nooit iets over zichzelf, maar proberen wel een ander uit te horen).
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
heel , heêl , zelfstandig naamwoord , in de zegswijze gien heel, totaal niets, geen goed woord. | D’r is gien heêl van overbleven, ze hewwe alles stiksloegen. Moet je ’m nou hore over z’n vorige baas, hai leit er gien heêl van over.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
heel , heêls , bijwoord , Variant van heel, in het geheel. | Ik had er heêls gien zin an.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
heel , heêl , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , Ook: helemaal. | Weunt ie deer heel! Hai kwam heêl loupende van Andoik. Zegswijze heêl(s) niet, in het geheel niet. | Hai had er heêl(s) gien skuld an. – Z’n oigen heêl koike, alles als één geheel zien, d.w.z. geen kleur, diepte en afstand onderscheiden. – ’t Wordt m’n heêl voor m’n ouge, ik word duizelig. – Bai heêl en bai halven, 1. met alle geweld. | Hai most bai heêl en bai halven nei Hoorn. 2. zonder overleg, ongelimiteerd. | Dat koupt maar bai heêl en bai halven! Opmerking: Een eigenaardig gebruik van ‘heêl’ treffen we in zinnen als: ik kon die hêle kirrel niet = ik kende die man helemaal niet; is dat hêle halve pond butter nou al weer op? Verouderde variant hiel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
heel , heil , heidel um zeidel, heilum zeilum , in heil um zeil heel erg (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook heidel um zeidel (md), heilum zeilum (Zuidwest-Drenthe, zuid) Jan wol niet umliek en toen kreeg e heil um zeil veur het gat (Rol), ...heil um ’t zeil... (Dal), Hie reist er heil um zeil um reist stad en land er voor af (Sle), Zie slugen mekaar heil um zeil (Bor), Oldejaorsaovend hebt ze nogal aordig klappen uut edield, het gung er van heil um zeil (Hav), Den proot heil um zeil um zich toe hij of zij praat zo druk dat je er geen woord tussen kunt krijgen (Pdh), Het giet er van heilum zeilum, donkt mij gaat er ruig toe (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
heel , hiel , heil, heel, hail, heeil, huil, heul , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook heil (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe), heel (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), hail (Veenkoloniën, Kop van Drenthe), heeil (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe), als bw. ook huil (Veenkoloniën), heul (Midden-Drenthe) = 1. heel, niet stuk Zo ik heb de boks weer hiel (Exl), Hie hef de buus hiel holden geen geld uitgegeven (Sle), Der bleef gien roete heil (Bov), ’t Is goud heil niet stuk (Row), Hie is heeil overkommen met die emmer vol eier (Eex), Zie zint er hiel ofkommen (Sle), Ie wolden mie nog een hiele kerel sturen en noe he’k mar een halve een flinke kerel (Klv), Het is een hele kerel eworden flink (Mep) 2. totaal, geheel De hiele boel stun op de kop (Bui), Ik ken dat haile wicht nait (Vtm), Het haile dörp was oetlopen veur de optocht (Eev), Hie hef de hiele tied verproot (Sle), Ik heb de hiele tied uut zitten te kieken of hij er nog niet ankwam (Eri), Hie hef de hiele boel der deur jacht verkwist (Odo), Een hele boer vierpaards boer (dva) 3. aanzienlijk, respect afdwingend, groot Hij hef een heile koppel kukens (Bov), ’t Is een hiele kerel as hie an de taofel zit te praoten (Geb), Der lig nog een heile bult steinen heel veel (Bco) 4. enigszins sloom, teruggetrokken, houterig, onnozel, niet erg goed bij (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) Wat löp hij der weer hiel hen (Pdh), Het is een doodgoeie man mor hij is wat heel houterig (Hijk), Dat is ok een haile! slome (Vri), ...een hiele Tönnis (Emm), Klaos döt wat heel an lichtelijk onnozel, maar Het is wat een hiele Klaos een houterige vent (Die), Een lange kerel kik gauwer hiel oet as ’n kleintien (Sle), Ein dei wat heil is is wat aans as een aander hij het ze niet heilemaol op een riegelie en is niet vlot in de omgang (Row), (zelfst.) ’t Is gien hiele hij is een beetje getikt, een beetje sloom (Dwi), ook Het is nogal wat een hiele (Uff) 5. eenvoudig, onbeschaafd (dc:Odo) 6. heel, in aanzienlijke mate Grönnen lig hier heil wied vort (Bov), Det heb ie hiel mooi ezegd (Ruw), Ik kwam hiel an de praot uitvoerig (Sle), As het hiel mooi weer is kuj hiel mooi buten zitten (Wsv) 7. helemaal (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe) Het was heel gien weer um der deur te gaon (Hijk), Dat jong zat hiel under de modder (Scho), Zie was heil in ’t zwart (Pdh), Hie möt nog hiel hen Slien (Wee), ’t Is hiel waor absoluut (Sle), Die man is ok niet heul nuchter (Gie), Dat wi’k hiel wal leuven graag geloven (Sle), Het was hiel an de aandere kaant (N:Sle), ’t Was heel gien weer um der deur te gaon (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
heel , héél , hil, hèlle, hille , heel. dè’s al unnen hille kèl, dat is al een flinke knaap.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
heel , eel , heel. Det e-k d’ele tied al eweten ‘dat heb ik altijd wel geweten’, een ele bende, een ele sloot, ’n ele stoot ‘veel’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
heel , ele , (Kampereiland, Kamperveen) nageboorte van een koe
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
heel , hiil , heel , Die krûik is ók nog hiil én dé's toch al 'n hiil aauw, és ge ze mér goed bewaord. Die kruik is ook nog gaaf en dat is toch al een heel oude, als je ze maar goed bewaard.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
heel , hiel , heel , bijvoeglijk naamwoord , 1. heel, niet kapot 2. in totale omvang, gans 3. groot: van omvang, lengte, belang 4. niet bep. snugger, sloom, in aanzienlijke mate, erg
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
heel , hêêl , bijvoeglijk naamwoord , 1. heel, gesloten Z’is nogal hêêl, je wordt er nie veul wijzer Ze is nogal gesloten, je wordt er niet veel wijzer 2. erg lang ’t Is al een hêêlen hort geleeje dakkum voor ’t lest gezien heb Het is al een erg lange tijd geleden dat ik hem voor het laatst gezien heb 3. geheel Hêêl d’n dag deur De hele dag lang Hêêl de week drôôg brôôd De hele week droog brood 4. gerepareerd Zôô, je klomp is weer hêêl Zo, je klomp is weer gerepareerd 5. gehele, totale ’t Hêêle durp was uichelôôpe om dien êênen dronke vent te zien Het hele dorp was uitgelopen om die ene dronken kerel te zien; Zôô hêêl as blommepap Zichzelf niet blootgevend; Hij hettet goed voor mekaor, hêêl Pietertie Die Piet heeft het goed voor elkaar
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
heel , hèil , bijvoeglijk naamwoord , genezen , hèil (vero.) VB: Es de bräotsj devan aof ês, ês 't hèil.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
heel , hiel , hil , bijwoord , heel , hiel VB: hiel érg.; hil VB: hil wiéd.; erg hil, hiel; heel (heel wat) 'n hiel dèil VB: Ich heb 'n hil dèil koffie môtte wegsjödde
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
heel , hiejel , heel ( bijwoord )
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
heel , hiejel apart , bijzonder
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
heel , hiejel duk , heel vaak
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
heel , hiejel èrrig , heel erg
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
heel , hiejel véúl , hel del , heel veel
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
heel , hiejele , hele
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
heel , hille , hele
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
heel , eel , 1. bn., heel, gezond; gaaf; 2. bw., heel, erg, zeer.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
heel , jil , heel
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
heel , hil , hul, hèl , 1. heel, geheel; 2. gezond, levendig , Hil dil. Heel veel. Groot aantal., Ik veijn dè stiekem gedoe hul gemeen! Ik vind dat achterbakse gedoe heel gemeen!, Frans mènt dèt ie hil wa is. Frans meent dat hij heel wat is. Hij gaat te prat op zijn functie., Tante Mieneke is bekant niggentig én nog goewd hèl. Tante Mien is bijna negentig en nog goed gezond.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
heel , heel , bijvoeglijk naamwoord , stug, stuurs (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
heel , hieël , heel , Det meintj zich hieël get. Wae höbbe hieël get aafgelache. Hieël väöl stumme kriege.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
heel , hieël , heel, niet kapot, zie ook gans, alik , Ich höb die flesse hieël hie gekrege.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
Heel , [toponiem] , Hael , Heel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
Heel , Hael , Heel
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
heel , haol , 1. alleen maar, louter: haol mik aete – alleen maar wittebrood eten, d.w.z. zonder roggebrood 2. zuiver, puur: det is haol goûd – dat is puur/zuiver goud (vergelijk het Engelse whole)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
heel , heîl , heil , beter, genezen ook genaeze, baeter
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
heel , hiël , bijvoeglijk naamwoord , hiële , heel, niet stuk; de hiële werreldj – de hele wereld; de roet is nog hiél – de ruit is nog heel, niet gebroken ook alik, gans (bijv. naamwoord)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
heel , hiël , heel, zeer (bijwoord)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
heel , hiël , helemaal, alles: hae wètj het gaer hiël – hij wil graag alles weten
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
heel , hieël , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , heel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
heel , hieël , bijwoord , helemaal
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
heel , hieël , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , hieële , hieëlke , zwenkarm
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
heel , hêel , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , geheel, gans; geheeld; Cees Robben: et bêen is wir hêel; dè löstert hêel naaw; Etymologie: Got. heila, D. heil, N. heel, T. hêel; hil;heel, geheel; Cees Robben – hil gewichtig. (19540227); Cees Robben – Wer hebben er d’n hillen vurrige ôôrlog verlet naor gehad... (19561110); Cees Robben – Den hille dag (19700501); Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): dè wòrdt naaw en hil nuuwe stad; Henk van Rijen: en hil dil - heel veel, een groot aantal; want der is daogeleks nen hillen hoop ellende... (Henriëtte Vunderink, Heure, zien èn zwèège, uit: Tis de moejte wèrd; 2011); WBD III.4.4:273 'heel' = helemaal, geheel; C. Verhoeven: HEEL, bijvoeglijk naamwoord ,bijwoord, de uitspraak varieert van 'hel' of 'hil' tot de langgerekte vorm 'hee:l' al naargelang het volgende woord al dan niet beklemtoond is; als bijwoord altijd lang, in verbogen vorm eveneens lang. Z.a.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
heel , hie~l , heel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal