elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: heem

heem , heem , erf of werf eener woning. Gron. hijm, hiem, in geschrifte: heem = erf, en meest voor het afgeschutte gedeelte er van, Friesch hiem. Kil. heym = huis; heym, heymel, Oostfr. hêm = HD. Heim = huis, woning, woonstede, Westf. hême, HD. Heimath; Zw. heim. Eng. home = huis, woning. Bij Wiarda: ham, hem = een huis; het AS. ham, Frank. heim beteekende eigenlijk eene omheinde, in eene zekere streek gelegen plaats, daarom wordt het in vele beteekenissen genomen. Bij de Gothen was haims een vlek of dorp, eene verzameling van huizen; naar Germaansche wijze op behoorlijke afstanden van elkander her- en derwaarts verstrooid. Men ziet dit duidelijk in de namen der dorpen op um, geboren uit hem of ham, waar dit overal: dorp, beteekent.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
heem , heem , hieem , (onzijdig) , heem.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
heem , hijm , haim, heim, heem, hiem , Langewold hiem, in geschrifte heem = erf, erve, meestal in den zin van: het afgeschutte gedeelte van den grond dat bij een huis behoort; ’t hijm van eene boerderij is het binnen de grachten, slooten, schuttingen, heggen of singels afgesloten gedeelte waarop het woonhuis (ploats of ploatse) staat; ’n vrei hijm hebben, betekent: dat het erf geen vrijen toegang heeft, welke inrichting vooral in de Ommelanden wordt aangetroffen; boer is nijt goud vlug, hij kōmt nijt van ’t hijm of, zooveel als: hij komt niet op zijn land, nog minder in ’t dorp. Drentsch heem = erf of werf eener woning, eigenlijk eene afgesloten werf; Friesch hiem, Kil. heym, Oostfriesch hêm, Hoogduitsch Heim = huis, woning, woonstede, enz.; Westfaalsch hême, Hoogduitsch Heimath, Zweedsch hem, Engelsch home = huis, woning, hiem. Oud-Friesch (Wiarda) hem, ham = een huis; Angel-Saksisch ham, Frankisch hiem, eigenlijk eene omheinde, in eene zekere streek gelegen plaats. Daarom wordt het in vele beteekenissen genomen voor: huis, slot, weide, bosch, veld, vaderland, enz. Drentsch. Halbertsma zegt: “haims beteekende bij de Gothen een vlek of dorp, eene verzameling van huizen, naar Germaansche wijze op behoorlijke afstanden van elkander her- en derwaarts verstrooid. Men ziet dit duidelijk in de namen der dorpen, waarvan hem, bv. Aesthem, thans Oosthem; of: um, het welk uit hem of ham geboren is, bv. Wirdum, Bayum, waar ham overal de beteekenis van dorp heeft. In Hammerke, later bij omzetting Hamreke, zien wij de mark van den ham, dat is van een dorp of zekere gemeente ten platten lande, dus gemeentegronden, die om de vier jaren gewoonlijk onder de dorpsgenooten verdeeld werden. Ik moet hier nog bijvoegen, dat, gelijk de Friezen en Angelsaksen de beteekenis van ham inkrompen tot erf en huis, de Scandinaviërs daarentegen die verwijdden, zoodat zij hun haimr niet slechts van het geheele vaderland, maar van de wereld gebruikten.” – ten Doornkaat acht het echter onjuist om als Kiliaen hammerick met hamme, ham te vereenzelvigen of met von Richthofen het Oud-Friesche hamreke, hamrike, hammerk, enz. door: Heim-Mark = dorp-mark, te vertolken, hoewel velen hem daarin hebben nagevolgd, maar dat het Oostfriesch (dus ook het Groningsch) hamrik, hammerk bestaat uit: ham = weideland, grasland, niet door wallen maar door slooten begrensd, en het Oud-Friesche rike, rik = rijk, òf als bijvoeglijk naamwoord òf als zelfstandig naamwoord, zoodat dan hammerike of eene vlakte of uitgestrektheid beteekent, die vele hammen heeft, rijk aan weiden is, òf woordelijk zooveel is als: weidenrijk = het rijk, het land, het oord der weiden. Nauw verwant zijn dus: ham, en: hijm = heem; ’t eerste zooveel als: door rivier, geul of slenk omringde streek, een terrein, ingesloten door eenig water; ’t laatste zooveel als: afgesloten terrein. – Het bovenstaande kan eenige opheldering geven aangaande de familienamen: van Ham, Hamming, Hamminga, Hemminga, Hamstra, Heemstra, enz., en van plaatsnamen als: Kaakheem, (Koakhijm), Ernstheem (Eernsthijm); Warfum (= hoogheem); Bedum (Bedeheim), Stedum (Stedeheim) (uitspraak Beem en Steem), Wirdum, Eenum (Ynum), Eenrum, Oostum, Ulrum, Fransum, Bierum, Verhildersum, Hoysum (= schaapheem, eene boerderij onder Warfum), enz.; Beersterhamrik (Beersterhammêrk) = Nieuw-Beerta, (waarvan men oudtijds zei, dat de gebraden varkens er met messen in den rug rondliepen, en waar de gemeentenaren zongen: Wie Beesterhammerieken, Woar hebben wie ons gelieken? enz., doelende op den vetten kleibodem). Voorts: Midwolderhamrik (Midwolmerhammêrk) = Nieuwolda; Nieuw-Scheemda = Scheemder-, of Scheemterhammêrk, enz. Vgl. ook Kil. art. heym. (v. Dale heeft: heem, en: heim).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
heem , hijm* , v. Dale geeft “heem” en “heim”; vergel. Heemstede & Haamstede.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
heem , haim , heem
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
heem , hiem , zelfstandig naamwoord ’t , Verouderd voor heem.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
heem , heim , onzijdig , heem. Ich kén ’m, mer weit ’m neit heim te brénge: ik ken hem, maar weet hem niet thuis te brengen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
heem , heem , heim, heeim, haim, hiem , hemen , (Zuid-Drenthe, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe). Ook heim (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe), heeim (Midden-Drenthe), haim (Kop van Drenthe, Veenkoloniën), hiem (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. erf Ik heb hum het heeim ofjaogd, die loeder van ‘n kerel (Eex), Ik wil hom nait op het haim hebben hij mag hier niet komen (Zui), Hie is van hoes en heem verdreven (Sle) 2. huisplaats (Zuidoost-Drents veengebied) De heimen van dei plaotse kunt ofzunderlijk verkoft worden (Bco), Ik heb die door nog een heim liggen laoten, door kanst op bouwen (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
heem , hèim , thuis , (zich thuis voelen) zich hèim veule VB: Hié veul ich mich hèim, hié wêl ich bliéve.; hèim bliéve thuisblijven hèim bliéve (zie 'blijven') VB: Ich gaon dizzen aovend nuurges ebaon, ich bliéf hèim
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
heem , heîm , huîm , zelfstandig naamwoord, onzijdig , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Weerts (stadweerts); huis, thuis, op - aan, huis, naar …. toe
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal