elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: heerschap

heerschap , herschap , hèrschup, heerschap, heerschappen , eigenaar, verhuurder, iemand van wien men de boerderij gehuurd heeft; heer, meester, hoofd, iemand aan wien men gehoorzaamheid verschuldigd is; “’k heb ’t waoter van oos herschap, dokter”, zooveel als: – van den boer bij wien ik in dienst ben. Zie ook: heerschappen = de eigenaars van landerijen die zij verpacht hebben. “De keuters moeten eerst hunne heerschappen ten dienste staan, vóór zij met de inzameling van eigen vruchten mogen beginnen.”
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
heerschap , heerschop , onzijdig , heerschap. ’n Heerschop: baas. Met heerschop werd het hoofd van het gezin door bedienden aangesproken. Een hypotheekgever is ook heerschop ten opzichte van zijn hypotheekhouder en zegt: Ik zin heerschop uaaver(?)
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
heerschap , hearskop , zelfstandig naamwoord, onzijdig , meneer, heerschap
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
heerschap , heerskip , zelfstandig naamwoord ’t , 1. Heerschap. 2. Verouderd voor eigenaar van een of meer boerderijen. Vgl. Fries hearskip.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
heerschap , heersjep , onzijdig , heerschap; aanduiding voor een onbekend persoon of een minachtende uitdrukking voor een bepaald iemand. Dat is mich ’n heersjẹp: dat is een fraai iemand.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
heerschap , hèerschup , de, het , hèerschuppen , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. landeigenaar, huurbaas, zo genoemd door zijn huurder (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) De hèerschup beurde de huur niet in geld (Emm), Ankommen zundag kriew de hèerschup op visite, wij moet zien daw het laand er goed bijliggen hebt (Sle), De heerschup hef mij de huur opzegd (Ndo), Zo af en toe komp de heerschop um de hoek kieken, hoe aj het spul beboerkten (Ruw), As het heerschop veurstemt, stemt de meier niet tegen (Hgv) 2. ietwat merkwaardig heer (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) Wat is dat een verwaond heerschöp, dai door in dai boerderij woont (Vtm), Wat een vervelend heerschup (Nam), Dat is mij ok een mooi heerschup, hie lat je mooi met de rutzooi zitten (Eex), ook van dieren Die koe, dat is ok een hèerschup, die möt de horens ofhebben (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
heerschap , eerskop , rare snuiter
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
heerschap , heerschop , zelfstandig naamwoord , et, de 1. heerschap 2. verhuurder, landheer 3. de rechten van het bezit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
heerschap , heerschop , zelfstandig naamwoord , heerschoppe , heerschoppie , heerschap, manspersoon Het blijft een raor heerschop
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
heerschap , hiersaws , zelfstandig naamwoord onzijdig , - , - , heerschap , (een fraai heerschap) hiersaws
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
heerschap , eerskop , (zelfstandig naamwoord) , heerschap, rare snuiter. Wat een raer eerskop ‘wat een rare snuiter’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
heerschap , [persoon ] , hirschap , bedrieglijk persoon, heerschap
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
heerschap , hieërsjap , (onzijdig) , heerschap , Mèt det hieërsjap wil ich niks te make höbbe.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
heerschap , hieërschap , zelfstandig naamwoord, onzijdig , hieërschappe , heerschap; verhuurder (van boerderij)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
heerschap , hirschap , zelfstandig naamwoord , heerschap; Boutkan: (blz. 34) hirschap (met vocaalreductie)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal