Woord: heester
heester , heester , heister
, *heester, heister, beteekent op veluwe een jongen eiken of beuken boom dien men wil opkweken. Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116. |
heester , heister , heester , (vrouwelijk)
, een. klein eiken boompje, dat men in het kreupelhout tot een groote laat opschieten, in tegenoverstelling van telgen, die met opzet daartoe geplant worden. Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange. |
heester , heester , (mannelijk)
, heester. Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents |
heester , heister , (mannelijk)
, heester. Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak |
heester , heesterke
, naar, armzalig, mager schepsel; wordt van menschen en dieren gezegd. Vgl. hegen. Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887) |
heester , heister
, heester. Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde. |
heester , heister
, 1. jonge stam; 2. heester (W.-Veluwe). Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere. |
heester , hieëster , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk
, hieësters , heester Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd. |