elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hei

hei , hai , hei, heiblok. Zie: ai 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hei , hei , haai , (haai) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Heiblok. Zie de wdbb. – In een oliemolen. De zware houten stamper, die op de slagbeitel neerkomt en deze vastheit, en daardoor de olie uit het zaad slaat. Men heeft naast elkaar een haai en een loshaai; de laatste dient om de wiggen weer los te slaan, als het zaad genoeg geperst is. Zie Groot Volk. Moolenb. I. pl. 21 en 22; III, pl. 3-5; Groot Alg. Moolenb. I, pl. 8. || Hij staat an ʼet haaitje (hij is blokmaalder). As de haai danst, gaat de wind stillen. – Hei in deze zin wordt reeds door KIL. vermeld. Zie ook SCHUERMANS, Suppl. 117. – Vgl. heidoof en kerkhei.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hei , hei , afkorting van “heila”. “Hei, dao maake ze bėsseme van” wordt gezegd, als iemand met “hei” wordt aangesproken, hetgeen hem niet bevalt.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hei , hèi , vrouwelijk , hèie, , hèike , straatstamper of juffer. Gank noch éns ėffe mit de hèi dreuver: je moet dat stukje bestrating nog afstampen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hei , hei , mannelijk , heide.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hei , hei , handhei , zelfstandig naamwoord , (LPW: Lop), handhei (LPW: Lop) zwaar stuk hout met handvaten om palen mee in de grond te slaan. Zie hoofstuk 4, punt 5: gereedschap .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
hei , hei , tussenwerpsel , gezegd om de aandacht te trekken, bijv. Hei! Luuster es!
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hei , hei , (vrouwelijk) , 1. heide, heidevlakte 2. heideplant 3. uitroep 4. stootblok (gereedschap) , Oppe hei woeane.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
Hei , Hei , grondgebied in Thorn achter Napoleonsweg en Santfort, in de buurt van Heierhof
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
Hei , Hej , eigennaam , de -, Altweerterheide
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
hei , hej , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , heide
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
Hei , Haaj , toponiem , de Haaj, de Campina; Interview Jolen - 1978 – “En ik hèb nòg in, in, in, in de haaj ok en bietje gewèrkt, nou weet ik tòch niemer wè, wèllek dè dè is…in de haaj zègge ze vruuger…dès die kaant ammel èùt hè, boove Hilverenbeek èn zôo hè…Acht Zaalegheede jè”. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal