elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hengelen

hengelen , hangele , werkwoord , Verouderde variant van hengelen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hengelen , hengele , schravele, miëstal óp enne stool.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
hengelen , hengeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , vissen met een hengelstok, (fig.) Hij hengelt naor complimenten (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hengelen , hengelen , werkwoord , 1. langdurig ziek zijn, sukkelen 2. rondhangen, omlummelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hengelen , hîngele , hingele, hîngele , werkwoord , tweede vorm Ospels;derde vorm Weerts (stadweerts); hengelen, (Ospels) treuzelen, (Weerts (stadweerts)) stechelen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal