elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: heugen

heugen , högen , (zwak werkwoord) , heugen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
heugen , hugen , hunkeren, hevig verlangen; hij huugt’r op = heeft er sterken trek naar zonder iets te kunnen doen om het machtig te worden. ’t Woord behoort alleen in de kinderwereld thuis. Drentsch hugen, Oostfriesch, Nedersaksisch hügen = smachtend naar iets verlangen, dringend begeeren, happig zijn op iets, Westfaalsch hucheln; Deensch hige = ergens naar haken, naar verlangen. Angel-Saksisch hyge, Frankisch huge, Oud-Hollandsch hoghe = zin, neiging, trek; hiervan: tegen heug en meug (volgens v. Dale ook Nederlandsch) Zie ook: oflokken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
heugen , heugen , (zwak werkwoord, intransitief) , Toebehoren. Thans alleen nog in de Wormer zeer gebruikelijk, doch vroeger ook elders in de Zaanstreek, waar verschillende personen het woord nog kennen als ouderwets. || De lange akker heugt me schoonvader. Dat land heb nog an mijn familie ʼeheugd. (Het perceel wordt verkocht) onder conditie, dat dit voors. landt niet sal mogen werden betimmert zoo langh de molen de Haes de verkooper of zijne kinderen of kintskinderen heugt of toecomt. (W.-Zaandam, a° 1715), Hs. T. 80, f° 118 v°, prov. archief. – Ook in Hs. Kool wordt vermeld: heugen is hetzelfde woord als het transitief werkwoord hogen, ogen, dat in de Middeleeuwen in N.-Holl. stukken voorkomt. Het praet. luidde (h)ochte, van welke vorm thans geen spoor meer over is. || Item een vierendeel lands, dat Griete van Rolland ochte (bij Egmond, a° 1358), Hs. v. Egmond, B f° 3 v° en 11 r°. Item te Wimmenem vier s(celling) jaers, die Jan Buse zijn broder plach te oghen (a°1358), ald., f° 6 v°. Men moet tot gheen plaetsen ladiken (baggeren) voer die son noch nae, buten oerlof (van hen) die dat lant hoghen (keur v. Enkhuizen, 15de e.), Wfri. Stadsr. 2, 225. Zie verder Mnl. Wdb. III, 521 op hogen. Vgl. Ofri. aga (pf. achte), Ags. agan (pf. ahte), in dezelfde zin.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
heugen , hugen* , vgl. meuge * en bij v. Dale “heug” = smaak of zin, bvb. in: tegen heug en meug.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
heugen , hüüegen , zwak werkwoord , heugen. Mi hüüegt, het hüüegt mi.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
heugen , hueng , werkwoord, zwak, onpersoonlijk , heugen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
heugen , heûge , in herinnering blijven, eraan herinnerd worden Dè zal ’m nog lang heûge.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
heugen , heugen , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. (onpers.) zich herinneren Dat zal hum nog lang heugen (Bov), ’t Mag mie nog heugen dat wie eerder ok al is zo’n dik winter had hebt do leupen wie as kinder tegen de snei op boven op het hounderhok (Bco), Dat mag mie nich heugen ik kan het me niet herinneren (Bov), Kuj oe dat nog heugen? (Dwi), ’t Lèeste heugt je ’t beste het laatste onthoud je het best (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
heugen , eugen , werkwoord , heugen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
heugen , eugen , zelfstandig naamwoord , (Gunninks woordenlijst van 1908) heug, in: Gunninks woordenlijst van 1908: tegen eugen en meugen ‘tegen heug en meug’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
heugen , heugn , heugen, bijblijven. ’t Zal ’m nog lange heugn, dât hie die domme streek uutehaeld hef.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
heugen , heugen , hugen , werkwoord , heugen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
heugen , heuge , werkwoord , (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) zich -, herinneren, zich
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
heugen , huuëge , werkwoord , (Weerts (stadweerts)) hoogjassen (kaartspel), zich -, zich herinneren
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal