elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hevelen

hevelen , hevêln , zie: knipwicht.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hevelen , hiäävelen , hevelen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hevelen , heveln , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. hevelen Die boom lig in de weg wij moet hum even oetzied heveln (Sle), Och goie opa is valen Wie mouten hom even overende heveln (Vtm), Het ol peerd mos aal morgen in het èn heveld worden rechtop gezet (Zui), Wie kommen daor veur ain hek daor mouten wie de fietse mor even over heveln (Vtm) 2. (wederk.) zich omhoog hijsen Het valt niet met um je oet zo’n lege stoel overende te heveln (Oos) 3. overhevelen Wij moet dat water van de spuling heveln met behulp van een slang weg laten lopen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hevelen , hevelen , werkwoord , 1. omhoog heffen 2. overhevelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hevelen , hieëvele , werkwoord , hevelen, pesten
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal