elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hoogsel

hoogsel , hoogsel , het verhoogd deel van een’ bijënkorf.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
hoogsel , heuchsel , hööchsel, lödder , onzijdig , heuchsele , heuchselke , wagenladder (om laadruimte hoger te maken).; hööchsel zie heuchsel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hoogsel , huugsel , zelfstandig naamwoord onzijdig , huugsele , - , opzetstuk , (opzetstuk van een kar) huugsel VB: Es te 't huugsel oppe ker zits kêns te vëul mie laoje.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
hoogsel , [plank ] , huuegsel , (onzijdig) , plank als zijkantverhoging voor kar of hooiwagen, bij hooiwagens of in de bietenoogst , Zètj de huuegsels mer oppe ker, wae gaon’t hui bènnehoeale.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
hoogsel , huëgsel , een aantal planken die horizontaal werden aangebracht boven op de bestaande zijplanken van een paardenkar, om het laadvermogen van de kar te verhogen zie ook hoest
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
hoogsel , huuëgsel , zelfstandig naamwoord, onzijdig , huuëgsels , zijschot, afneembaar
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
hoogsel , huuëgsel , zelfstandig naamwoord, onzijdig , opgeld
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal