elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hoogvlieger

hoogvlieger , hoochvleigert , mannelijk , hoochvleigesj , pronker, praler.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hoogvlieger , hoogvlieger , heugvlieger , de , Ook heugvlieger (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = hoogvlieger Jannegie is good op de schoele, mor ’t is ook gien heugvleger/hoogvleger (Die), Dat is ok gien hoogvlieger hij is tamelijk dom (Bov), Ien die meer döt as e kan is een hoogvlieger (Zwin), Dat is een hoogvlieger, hij waogt meer as e kan (Dwij), Ene met teveul verbeeldings wordt wal ies hoogvleger neumd (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hoogvlieger , hoeëgvleger , zelfstandig naamwoord, mannelijk , hoeëgvlegers , hoeëgvlegerke , hoogvlieger, uitblinker
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal