elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hor

hor , urreken , hurreken , raampje onder een opgeschoven venster. Holl. horretje. Kil. horde in de venster, hetzelfde als horde, hurde, crates viminea; die raampjes waren eertijds gevlochten mandewerk. Van die zelfde stof maakten onze vroegste vaderen hunne deuren, schuttingen, borstweringen, enz. Got. haurds, deur. Theot. hurt, id. tralie, afschutting. A. S. hord [de afschutting] schatkamer, schat. Crates wordt gezegd voor cartes, contr. carts, hetzelfde als haurds, beiden van καρτειν [κρατειν] καρτος, harden. Lat. c = Germ. h.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
hor , [tussenwerpsel] , hörre , interj. waarmede men de honden op het wild aanhitst; ook Gron. Hooft: hor = weg, voort; Eng. hurry = ijlen, haast maken. Ook interj. ter verjaging van varkens.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hor , hōrre! , hōr! , tusschenwerpsel waarmee men de honden op het wild aandrijft; ook Drentsch, en: horre! waarmede men de varkens verjaagt. Engelsch hurry = ijlen, haast maken. Hooft: hor = weg, voort.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hor , hö̀ddeken , (onzijdig) , hö̀ddekes , Horretje.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
hor , hö̀ddeken , (onzijdig) , hö̀ddekes , Horretje.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
hor , horre , vrouwelijk , hor (in raam), zeef voor grind.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hor , hort , onzijdig , horter , hortje , hor.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hor , hörtje , Ned. hor; verpakking vur eier; âfscherming um de kachel.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
hor , hor , hörre, horre , de , horren , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook hörre (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), horre (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe), ook vaak verkl. = 1. hor Wij zult even een hor veur het raam zetten, dan hew niet zo’n last van muggen (Hoh), Zie hadden van die grote hörren under ’t raam (Sle), Wij zult even het horregie der veurzetten (And), De olde wiefies loerden vrogger over de horregies (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hor , hor , Midden-Drenthe), in Van hot naor hor lopen haar (Bal), en in *Hor hor hor / Wat bint de jonges dor / ’s Aovends zit ze in de hoek van de hèerd / En ’s mörgens bint ze gien piep tebak meer wèerd (Sle), ...’s Aovends loopt ze in ’t darp te springen / En ’s mörgens kunt ze de boks niet vinden (Sle), ook Horre horre horre / Wat bint de wichter dor / ’s Aovends loopt ze langs de wegen / ’s Mörgens kunt ze de delle niet vegen / Horre hore horre / Wat zint die wichter dorre (Coe), zie ook bij snor II
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hor , öttien , (Gunninks woordenlijst van 1908) horretje
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hor , hörrechien , horretje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
hor , hor , hor , Ze hébbe daor ‘t hor. Ze hebben daar het hor. Ze zijn daar goed erg nors.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
hor , hor , uitdrukking , Zôô drôôg azzun hor [O] Kurkdroog, erg droog
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
hor , hëurdsje , zelfstandig naamwoord onzijdig , hëurdsjes , - , hor , VB: Ich zoûw mer 'n hëurdsje iénzitte anders gèis te dis naach aofzién van de mögke.; vlaairooster VB: Laot de vlaoj mer get op 't hëurdsje aofkeule.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
hor , hor , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , hoeveelheid , (een grote hoeveelheid) hor VB: 'r sjnooj zich nog 'nnen hor van de sjeenk aof.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
hor , or , horde. grove schuinaflopende houten of metalen zeef om bv. aard­ appelen van het zand te ontdoen. “d’erpels over d’or doen”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
hor , orre , (zelfstandig naamwoord) , hor.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hor , hurt , grindzeef; hurten, het zeven van grind (zie ook horren).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
hor , hort , zelfstandig naamwoord , raamwerk, vliegenraam (Den Bosch en Meierij; Tilburg en Midden-Brabant; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
hor , or , zelfstandig naamwoord , bui of horzel (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
hor , hor , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , horre/hörtjes/hortjes , hortje/hörtje , latwerk, rek, vliegengaas; hörtje (verkleinwoord) (Nederweerts, Ospels) rekje van latjes; hortje (verkleinwoord) rekje van latjes, onderzetter
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
hor , harrechie , horrechie , hor; op ’n harrechie, op ’n horrechie, op ’n kiertje; bijna
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
hor , hòr , zelfstandig naamwoord , hekel, tegenzin, afkeer; Van Beek - Ze kreeg 't hor aan. - Ze begon kwaad te worden. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959); Cees Robben – Men vrouw die krèègt ’t hor dan aon/ Bij ’t minste gaot-er-op (19650507); Brabantse spreekwoorden (Mandos): et hòr ònkrèège ('69) - kwaad worden; Henk van Rijen: 'Ge zo-t-ur ut hòr van krèège' - Je zou er een hekel aan krijgen.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal