elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: horzel

horzel , oorsel , horzel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
horzel , horzel , de , horzels , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën) = 1. horzel Dat peerd hef ieder keer last van een horzel (Schn) 2. larve van een horzel Kniep die horzel der is even oet (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
horzel , heurs , hoorz , horzel. legt nèt mar ovvert pèrd, want d’r zitten veul heurs, hang het vliegennet maar over het paard, want het heeft veel last van horzels. zie ook hoorz.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
horzel , heurs , horzel , Zeuve heurze kanne ’n pèrd kepotstêke. Zeven horzels kunnen een paard doodsteken.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
horzel , hurm , paardenvlieg (gastrophilus intestinalis).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
horzel , heurs , zelfstandig naamwoord , hoornaar, grote wesp (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
horzel , hoostel , (vrouwelijk) , hoostels , horzel, hoornaar , Gestoeake zeen door ein hoostel.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
horzel , hoostel , hoorstel , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , hoostels , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Ospels; horzel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal