elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: huishoudster

huishoudster , hoesholster , huishoudster, Gron. hoesholster, hoesholderske, Oostfr. hûsholderske, hûshollerske, Deensch huusholderske.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
huishoudster , hoesholster , huusholster , zie: hoesholderske.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
huishoudster , hü̂̂shòlderse , Huishoudster. Gr. en O.-Fr.: hoesholderske.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
huishoudster , [persoon die het huishouden leidt] , hü̂shòlderse , Huishoudster. Gr. en O.-Fr.: hoesholderske.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
huishoudster  , hoeshelster , huishoudster.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
huishoudster , hüshaolster , vrouwelijk , huishoudster
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
huishoudster , hoesholderske , huusholderske , huishoudster
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
huishoudster , huusholster , huishoudster.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
huishoudster , hoesholdster , de , huishoudster Mien tante was hoesholdster bie de pastoor (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
huishoudster , uus-òlster , huishoudster
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
huishoudster , huushoolster , zelfstandig naamwoord , de; huishoudster (ter vervanging in een huishouding)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
huishoudster , hoéshelderse , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , hoéshelderses , - , huishoudster , VB: De hoéshelderse van menier pesjtoer ês e vreuntelik mêns
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
huishoudster , uusolster , (zelfstandig naamwoord) , huishoudster, werkster.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
huishoudster , hoeshaodster , (vrouwelijk) , huishoudster, zie ook maagd
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
huishoudster , hoêshaodster , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , hoêshaodsters , hoêshaodsterke , huishoudster
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
huishoudster , hoe~shelster , huishoudster
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal