elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: huisvrouw

huisvrouw , hoesvrou , vrouwelijk , hoesvroue , huisvrouw.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
huisvrouw , hoesvrouw , de , huisvrouw Der waren vrogger drei soorten vrouwen huusvrouwen, loopvrouwen en koopvrouwen de eersten waren de besten (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
huisvrouw , huusvrouw , zelfstandig naamwoord , de; huisvrouw, vrouw die hoofdzakelijk het huishoudelijk werk doet, vrouw des huizes
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
huisvrouw , hoêsvraw , hoêsvrouw , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , hoêsvröllie , eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; huisvrouw
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal