elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klamot

klamot , klamotn , zelfstandig naamwoord , geld
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
klamot , klamotte , zelfstandig naamwoord , geld
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
klamot , [slonzige vrouw] , klamot , klemot , (vrouwelijk) , klamotte, klemotte , 1. een slonzige vrouw 2. spullen 3. geld , Haod dich dao weg, det is ein richtige klamot/klemot.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
klamot , klamotte , geld zie ook moos
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
klamot , klamot , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , klamotte , smeerpoes
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal