elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klant

klant , klant , kameraad, makker; hiervan: schoolklant, speulklant, enz. Het HD. Kaland, eertijds zooveel als: godsdienstige broederschap, welker leden, Kalandsheeren, zich door zwelgen en brassen berucht hebben gemaakt. Hieruit zou het woord samengetrokken zijn.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
klant , klant , voor: wat buitengewoon groot, dik of sterk is in zijne soort, een baas, bv. een heel dikke boom, visch, een zwaar anker, enz. Voor sommige voorwerpen zegt men er van ook: klauert, Noord-Holland klouwer, bv. van een’ buitengewoon dikken snoek, enz. Nedersaksisch klauer, een dier (of mensch) dat zich snel voortbeweegt, ook: een groot dier. Zal eigenlijk zijn: een van groote klauwen voorzien dier, hoewel het woord niet op zulke beesten wordt toegepast. Oostfriesch klant = deugniet, schurk, listig mensch; ook wat buitengewoon is, bv. een groote visch, een dik varken, enz. (Volgens Carl Dirksen moet hierbij gedacht worden aan den Hollandschen overste Klant, die (volgens Wiarda) zich in 1587 door zijne gruweldaden berucht heeft gemaakt. Alleen in het kleine dorp Oldersum zou hij meer dan 50000 gulden aan waarde geroofd, de huizen in brand gestoken en vele menschen vermoord hebben.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
klant , klaonten , vrouwelijk , klaonten , klant
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
klant , klaantn , zelfstandig naamwoord, mannelijk , klaantn , klant
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
klant , kalánt , zelfstandig naamwoord de , Verouderd voor klant, cliënt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
klant , klanjt , mannelijk, vrouwelijk , klanjte , klènjtje , klant.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
klant , klant , klaant, klaante , de , klanten , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook klaant, klaante (Zuidwest-Drenthe) = 1. klant Wie bunt klant woor wie het best keunt (Bov), Ik bin vaste klaante bij de winkelier (Flu), Ze hadden een beste klaante an oens (Ruw), De winkelier geeit zien klanten op de fiets bijlangs (Eex), De kastelein bij oens is een beste klaante veur humzulf (Hav), Hij is een goeie klant van de kastelein drinkt veel (Eri) 2. bijzonder of eigenaardig figuur Dat is een vrolijke klaant (Dwi), ...een lösse klant losbol (Sle), ...een roege klant, mor moej ok is kieken oet wat veur nust of e komp (Hijk), Dat is ok een mooie klant daor kuj niks op an (Klv) 3. groot, grof gebouwd persoon (Midden-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drenthe) Dat is mij een klant van een meid! (Dro) 4. kameraad, vriend (Zuidwest-Drenthe, zuid) Die mit zien klaanten trawanten (Zdw), Dat is mien klaante (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klant , klaante , (Gunninks woordenlijst van 1908) klant. Gunninks woordenlijst van 1908: De klaanten ‘de jongelui’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
klant , klaant , zelfstandig naamwoord , de; 1. vaste klant in een winkel, bij een koopman e.d. 2. iemand die toevallig, incidenteel klant is 3. persoon, vaak: plezierig iemand of vreemd iemand, rare gast 4. iemand die zich met alles inlaat, meedoet, er steeds bij is, durfal
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
klant , klaant , zelfstandig naamwoord mannelijk , klaante , klénsje , klant , VB: Dy ês bié ôs klaant oppe weenkel. VB: 'nne Roûwe klaant.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
klant , klâânt , klant.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
klant , klante , (zelfstandig naamwoord) , kläntien , klant.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
klant , klântj , klânt , zelfstandig naamwoord, mannelijk , klântje/klânte , klêntje/klêntje , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); klant
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal