elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klauwhamer

klauwhamer , kleêuwhamer , zelfstandig naamwoord de , 1. Grote hamer met een als een klauw gespleten achtereinde voor het uittrekken van spijkers. 2. Grote, houten hamer.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
klauwhamer , klauhaamer , mannelijk , klauhaamesj , klauwhamer.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
klauwhamer , klaawhaomer , timmermanshamer, waarmee men ook spijkers uit het hout kan trekken (is nog steeds in gebruik)
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
klauwhamer , klawhamer , zelfstandig naamwoord, mannelijk , klawhamers , klauwhamer
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal