elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kleur

kleur , kleuren - fleuren , in: iets mit kleuren en fleuren vertellen, zooveel als: de geheele toedracht der zaak tot in de geringste bijzonderheden verhalen, en veronderstelt dat het niet zeer vereerend is, zelfs zeer belachlijk kan wezen voor personen die er in betrokken zijn. Gewoonlijk ziet men geschreven: met kleuren en geuren. – is gijn kleur of fleur op = hij (of: zij) heeft geen gezonde kleur, ziet er bleek uit.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kleur , kluure , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , kluurn , kluurkn , 1 kleur, 2 blos. Ne kluure as n leg’nd hennken, een blozende gezonde kleur
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kleur , kleur , vrouwelijk , kleure , kleurke , kleur; groep of club. Ein fien kleur: een fraai stel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kleur , kleur , de , kleuren , kleur Ik mag die kleur niet lien (Zdw), In de haarst hef alles een mooie kleur (Nor), Die varve möt op kleur maakt worden (Sle), Det heui zat kleur noch geur, ... gien geur of kleur an (Ruw), ...of fleur an (Row), Hij hef gien goeie kleur geen gezonde gelaatskleur (Pdh), Hie hef ’n kleur as ’n biete (Klv), ...as ’n liek (Bov), ...as ’n laeken (Die), ...as een voel hemd goor (Hgv), ...as kalke an de mure lijkwit (Vtm), ...as een kaarse als een kers (Ros), ...as vuur (Hijk), ...as ’n roze (Die), ...as een bellefleur (Zui), ...as een rooie biete (Ruw), ...as een schelvis die oet de zuderzee jag is slechte huidskleur (Bov), ...of e in de snei scheten hef bleek (Nam)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kleur , kleur , kleur, glans
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kleur , kléúr , kleur , Ze hi un kléúr lék nen bèllefléúr. Ze heeft een kleur als een bellefleur. Ze heeft mooie blozende wangen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kleur , kleur , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , kleure , - , gezelschap , groep; kleur VB: Oppe kërmes ién Riékelt zaot v'r mêt 'n sjoen kleur biéèin.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kleur , klurre , kleur , klurke , kleuren, kleur, kleurtje, blosje , De Nuejnese vlag hi vijf klurre. De Nuenense vlag heeft vijf kleuren., Wa hédde toch ’n schòn klurke. Wat heb je toch een mooi blosje.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kleur , kläör , zelfstandig naamwoord , kläöre , kläörke , kleur
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kleur , kleur , kluuër , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , kleure/kluuëre , kleurke/kluuërke , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kleur
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kleur , klurke , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , van ‘kleur’; kleurtje; Cees Robben – Wè krèège ze ’n kleurke... (19571207); R.J. 'oew fleurige klurkes', 'meej en klurken óp zen wang'; Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996): (blz. 30) klurke - verkleinwoord van 'kleur', met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal