elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klief

klief , [klis, verwarde massa] , klîve , (vrouwelijk) , klis.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
klief , klief , klieve , soort van kleine sluis in een’ dijk, die door hooger binnenwater wordt opengezet en zich bij hooger buitenwater sluit. Kil. klieve, verouderd = spleet. (Bij H. Kremer: klijve bl. 154.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
klief , kleefke , kleefkes , (verkleinwoord) wasknijper zonder scharnier
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal