elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klit

klit , klitte , (vrouwelijk) , klitten , klis (ook benaming van een vrouw).
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
klit , klitte , klette , (vrouwelijk) , klitten , klis (ook benaming van een vrouw).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
klit , klit , (zelfstandig naamwoord) , Meestal in samenst. olieklit. Oliekan. Synon. klik; zie aldaar. || Waarzo is de olieklit?
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klit , klit , klet , (zelfstandig naamwoord) , Homp, dikke snede, in het bijzonder van roggebrood. In de Wormer in dezelfde zin klet, kletje. || Een klit roggebrood. Ik lust nog wel ’en klit. De hond moet ’en klet brood hebben. Geef ’em ’en kletje. – Vgl. bij KIL.: “kildt broodts, Holl. j. kant, hompe”.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klit  , klet , klit.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
klit , klidde , klitter , wilde meid
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
klit , klit , klitte, klidde , de , klitten , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook klitte (Zuidwest-Drenthe), klidde (Veenkoloniën in bet. 3.) = 1. klit, klont Het gaoren zit in de klit (Emm), Een peerd hef wal ies een klit in de manen (Ndo), Hij hangt an je as een klit blijft maar aan je klitten (Hoh), zo ook Ze hangen as klitten an mekaor (Nor), Wat een bende het is ene klitte (Hol), Der zit een klit in de brei klont (Dal), Der zit een klidde modder aan dien schounen klodder (Erf), As kinder hadden wij vaak ’n hiele klit kleveklassen in de buus (Zwin) 2. klont, stuk kandij (Zuidoost-Drents zandgebied) Doe mij maor ien klit in de koffie (Exl) 3. roddel, laster (Zuidwest-Drenthe, zuid) ’n Klit an het gat nao kriegen, ... achter het gat nao kriegen (Hgv), zie ook klad, klakkerd 4. plakker (Zuidwest-Drenthe, noord) Een klitte is iene die op bezuuk is en die aj moeilijk kwiet kunt worden (Wsv), 5. (Zuidwest-Drenthe, zuid), in De klit zit der in dat dier wil niet groeien (Pes), zie ook klad
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klit , klit , klitte , zelfstandig naamwoord , de; klit: verwarde, samenklevende massa van haar, van met mest ineengedrukt stuk wol van een schaap e.d.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
klit , wie klet , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , klit , (als klit) wie klet VB: Dat zién hil gooj vrön, ze hange wie klit aon èin.; klis; (bep. plant) klet VB: De koejoûnges kôste gèi groeter plezeer es de mèitkes klet ién hön haore te vriéve.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
klit , [klier] , klit , 1. klier; 2. loszinnige meid (W.-Veluwe); klitsig, (vlees) met veel klieren.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
klit , [kleefkruid] , klet ,  klit , (vrouwelijk) , klette klitte , kleefkruid , Aaneinhange wie klet.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
klit , klit , zelfstandig naamwoord , klitte , klitje , klis (Arctum pubens)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
klit , klit , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , kliskruid
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal