elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klokje

klokje , klö̀ksken , (onzijdig) , campanula.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
klokje , klōktje , klōkje , borreltje; ’n goud klōktje drinken = een stevigen borrel drinken; ’n smal klōktje = een klein glas jenever of brandewijn.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
klokje , klokje , borreltje
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
klokje , klokkien , zelfstandig naamwoord , et 1. kleine klok 2. horloge 3. klokvormige roetvanger, hetz. als schellegien 4. in ’t blauwe klokkien klokjesgentiaan, grasklokje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
klokje , klökkien , (zelfstandig naamwoord) , akelei.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
klokje , klokje , klöksien , akelei (aquilegia vulgaris).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
klokje , [horloge] , klokkie , klökkien , horloge.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
klokje , klökskes , (verkleinwoord, meervoud) grasklokje
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal