elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klokkenspel

klokkenspel , klokkesjpeel , onzijdig , klokkesjpeelder , klokkesjpeelke , klokkenspel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
klokkenspel , klokkespul , zelfstandig naamwoord , klokkespulle , klokkespullechie , 1. klokkenspel, bellentuig van een arreslee 2. mannelijke genitaliën, zaakje ’k Bin memmen klokkespul opte stang vammen fiets gevalle omdammen voet van de trapper glee Ik ben met mijn zaakje op de stang van mijn fiets gevallen omdat mijn voet van de trapper gleed Ook klokenhamerspul
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
klokkenspel , klokkespeûl , klokkespuuël , zelfstandig naamwoord, onzijdig , klokkespeûle/klokkespuuële , klokkespeûlke/klokkespuuëlke , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); klokkenspel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal