elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klot

klot , klot , klut , klomp. , een klot aarde, deeg enz. Als verkleinw. ook klotje.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
klot , klot , dikke, vierkante turf, die uit veen (moer) bestaat. De naam draagt hij wellicht omdat hij op eenen klomp of ene kluit gelijkt.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
klot , klot , klotte, klót , m , harde, donkere turf [Ove]; klót turf klótstéke turfsteken. [Wes]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
klot , klot , mannelijk , klöt , klötje , klont, kluit. In de klot koupe: ongeteld, in massa kopen, ’ne Klot zeip: een stuk zeep.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
klot , klot , zwarte turf; klont. verkl. klötje.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
klot , klot , brok , Ne klot is ne brok àèrd, die moesse we kepot griessele vur't zaod gezaojd wier. Een kluit is een brok zand, die moesten we stuk harken voor het zaad gezaaid werd.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
klot , klot , zelfstandig naamwoord mannelijk , klotte , klötsje , klont , kluit klot VB: 'nne klot drek; kluit; klot VB: 'nne klot drek.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
klot , klot , zwarte turf
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
klot , kloet , knot. in de uitdrukking “‘n kloet wol”, “een knot wol”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
klot , klot , turf
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
klot , klot , zelfstandig naamwoord , natte turf (Land van Cuijk; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
klot , klot , (mannelijk) , klotte , klötje , kluit , Eine klot aerd: een kluit aarde.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
klot , klot , zelfstandig naamwoord, mannelijk , zwarte turf, haole -, gezelligheid, je van het!, heel goede turf
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
klot , klòt , zelfstandig naamwoord , J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KLOT, voor klomp (een klot aarde, deeg); KLOTJE, klompje, voornamelijk voor een klotje suikers
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal