elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kluister

kluister , kloester , zie: bōdden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kluister , kloster , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Kluister, voetboei van paarden, om hen te beletten in het land te hollen. – Ook de vorm kluister is aan de Zaan bekend. Vgl. Mnl. cluster naast cluuster, cluyster (Mnl. Wdb. III, 1604).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kluister , kloester , vrouwelijk , kloestere , kluusterke , kluister; hangslot.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kluister , kluuster , de , kluusters , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = kluister, boei
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kluister , kloéster , zelfstandig naamwoord onzijdig , kloésters , - , hangslot , (mnl 'cluuster': o.a slot, hangslot) VB: Doég mer 'n fleenke kêttel en e kloéster aon d'nne fits aanders bis t'm zoe kwiét.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kluister , kloesters , (meervoud) handboeien
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kluister , klöjster , zelfstandig naamwoord , kluister; WBD blok (ketting met een blok aan een been v.e. paard om te beletten dat het uit de wei springt), buiten de Hasselt 'springblok' genoemd; Bont znw.vr. 'klouster' - kluister, hangslot
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal