elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kluns

kluns , kluns , m , Wa ziede me toch ’ne kluns! Wat ben je toch een sukkel!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kluns , kluns , zelfstandig naamwoord de , Klungel, stommerd.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kluns , kluns , de , klunzen , kluns Wat een kluns van een kerel, wat een Jan Salie iem. die niet opschiet (Exl), Hij is een kluns, wat mij betreft, kan hij wel opstappen (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kluns , klûns , zelfstandig naamwoord, mannelijk , klûnze , klûnske , ezel, gecastreerde, sukkel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal