elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knap

knap , knap , 1) degelijk, behoorlijk; 2) vlug, handig, oogenblikkelijk. , 2) Ik heb dat knap gedaan. Hij is er knap mee. Ga knap van hier.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
knap , gnap , knap; ʼn gnap en schoonder slag van ʼn jongen; dat was dege gnap (loyaal) van hōm.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
knap , knap , (bijvoeglijk naamwoord) , knappe , knap, eng.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
knap , knap , voor: eerlijk, braaf, zóó als ’t een man van karakter betaamt; da’s knap van hōm = dat is zóó als ’t behoort, dat is braaf gehandeld; ’n knappe betoaler = een stipte betaler. Als bijwoord in: knap zijk wezen = zeer ziek zijn; knap vrijzen = sterk vriezen, enz. Zuid-Holland knapjes = erg, zeer. Vgl. broaf.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knap , gnap , (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord) , 1) Bijvoeglijk naamwoord Knap, netjes, bevallig, mooi, flink. || ’t Is ’en gnappe jurk, die je anhebbe (aanhebt). Een gnappe borst. Gnap van neus en oren. Ze is puur gnap. 2) Bijwoord Ook in verkl. gnappies. Netjes, zindelijk, schoon, op handige wijze. || Hij is gnappies in de kleren. ’t Zag er in huis gnappies uit. (Wij) hebben aangesteld tot lantaaren opsteken en lantaarens gnap en schoon te houden Jan de Wit, Hs. (a° 1763), archief v. Wormerveer. De straat te suyvere en genap te houden, Hs. (a° 1756), aldaar. Heb ik dat nou niet gnappies in orde ’emaakt? Dat heb-je gnap ’edaan. Gnap is een wisselvorm van knap en ook elders in N.-Holl. en Friesl. bekend. Het woord was in de 17de en 18de e. ook in de Holl. schrijftaal gebruikelijk, maar is daaruit thans door knap verdrongen. Zie verder Ned. Wdb. V, 172. – Vgl. gnaphandig, nagelgnap, ooggnap en gnappen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
knap  , knap , smalletjes, ook ternauwernood.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
knap , knàppe , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , knàpn , knàpken , 1 kap, van brood, 2 korst, van wond
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
knap , knap , nogal knap lâstig, muuj nogal lastig, moe.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
knap , knap , (ouderwets), bepaalde hoeveelheid garen (zoveel als er bij het knappen van de draad was)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
knap , gnap , knap , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , 1. Knap, aantrekkelijk. | Ik vind ’t ’n gnappe moid. 2. Net, netjes, fatsoenlijk. | Trek je gnappe pak maar an. ’t Benne gnappe burgermense. 3. Behoorlijk, flink. | Hai was gnap verveulend. Ik vind ’t gnap koud. Zegswijze gnap z’n broôd hewwe (verdiene), behoorlijk of op behoorlijke, fatsoenlijke wijze de kost verdienen. – ’n Gnap stik broôd hewwe (verdiene), behoorlijk de kost verdienen. – Z’n oigen gnap houwe, 1. zich fatsoenlijk, beheerst gedragen. 2. zich behoorlijk van zijn taak kwijten. – D’r gnap insteke, netjes gekleed zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
knap , knap , zelfstandig naamwoord ’t , in de combinatie voor knap, als nette, zondagse kleding. | Voor knap zou’k liever ’n are jurk an doen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
knap , gnappe , bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord , in de zegswijze ’n gnappe lillekerd, spottend voor iemand die zeer lelijk is. – In ’t gnappe, in het fatsoenlijke. | Wat hew’we ’n skik had en alles in ’t gnappe, ’oor!
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
knap , knap , knapper, knapste , eng; bijna; zuinig. Dat jėske is mich gėt knap: dat jasje is wat te eng voor mij. Hae is gėt knap aagelach: hij is zuinig van aard. Knap drin: net er in. Knap genóch: bijna genoeg.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
knap , gnap , gnapjes , (wb, wm). Ook gnapjes (wb:Elp) = knap, netjes Een gnap en schoonder slag van een jongen (wm), Dat was dege gnap van hom loyaal (wm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knap , knap , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. knap, schrander Der zit een knappe kop op (Een), Hie kan goed leren, het is een knappe vent (Sle) 2. fraai, netjes Hij zit knap in de kleren (Bov), Hie hef der een knap hoes hen zet (Oos), Die dochter van Luuks is een knappe meid mooi (Hav), Die jas zöt er nog knap oet (Gas), Ie staot er weer knap op (Dwij), Het laand lag der knap bij (Gro), Het is knap weer goed weer (Dwi), Dat hej knap daon netjes (Gie), (iron.) Dat is ’n knappe meneer van doen lage, gemene manier (Sle), of Dat is knap doen een fraaie manier van handelen (N:Sle), Daor hef er mij met bedonderd, dat was ’n knap stukkie van hum een gemene streek (Klv) 4. (bw.) flink, behoorlijk Hai is knap zaik (Eco), Het is knap kold vandaege (Dwi), Hie holdt zuk knap (Eex), Hij hef knap honger (Hol), Mien va hef zien trouwschoenen twintig jaor had, dus die hebt zich knap holden (Hgv), Een knap stuk waark (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knap , knap , knip , de , knappen , Ook knip (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe, wp, bet. 2.) = 1. klap, slag Die dunderslag was een beste knap (Nor), Dat zal nog ’n knap ofgeven dat zal me nog wat worden (Sle), zie ook knal 2. vol haspel (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, ti) Vieftig maol rond was bie het haspeln een knap (Bov), ’n Vol haspel hette hier ’n knap gaoren, de haspel was dan zestig keer rond west (Pdh), Vief knap is een bos (Sle), Een stuk gaoren is tien twiesten en een twiest is twee knap, maor een stukkien is vief knap (ti), zie ook bij knip I *Mien mouder wol spinnen en het rad wol nich gaon / Mien mouder wol haspeln en de knap wol nich slaon (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knap , knap , zelfstandig naamwoord , knal
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
knap , knap , bijvoeglijk naamwoord , mooi
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
knap , knap , zelfstandig naamwoord , de; knappend geluid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knap , knap , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. behoorlijk, net en ordentelijk 2. flink, goed gedaan 3. knap, fraai van uiterlijk 4. pienter, zeer ontwikkeld in verstandelijk opzicht 5. in aanzienlijke mate 6. gemeen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knap , knap , zelfstandig naamwoord mannelijk , knabbe , knepke , broodmaaltijd , (bep.broodmaaltijd) knap VB: De knap woerd gemeenlik mêt nao 't véld genoëme.; hilariteit (grote hilariteit) op 'nne knap ligke VB: Wie dè dao mêt sjtool en aal aachteruüver veel, laoge ze allemaol op 'nne knap.; homp VB: 'nne knap broed.; snoepgoed (bep. snoepgoed); knap VB: 'nne Sjôkkelate knap.; op 'nne knap dicht op elkaar op 'nne knap VB: Mêt séstig maan ién zoe e zëulke, v'r zaoten éch op 'nne knap.; op 'nne knap diggelen (aan diggelen) op 'nne knap VB: Ich hoûw dèn awwe sjtool mer op 'nne knap
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
knap , knap , bijwoord , helemaal , (helemaal weg) knap eweg VB: De sjnie ês knap eweg.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
knap , [bijna] , knap , bijna, amper , Ich bèn knap ei ke(r)teerke weg gewaes(t).
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
knap , knap , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , erg, flink, mooi
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal