elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knappen

knappen , [eten] , knappen , (werkwoord) , eten, afgeleid van knabbelen. , Zij hebben alles opgeknapt.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
knappen , knappen , voor: kraken, bv. van noten; ook het geluid bij het bersten van paardenboonen als zij geroosterd worden. – De uitdrukking: ’n vles wien knappen (of: opknappen), bij Weil. en v. Dale: eene flesch wijn kraken, Oostfriesch ’n fles wîn knappen, wordt gebezigd als men in een goede luim is; ’t zel zoo hard nijt knappen = ’t zal zoo gemakkelijk niet gaan, fig.: ’t zal zoo glad niet glijden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knappen , knappen , Klappen. H(i)ee kent ʼt knappen van de zweppe.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
knappen , gnappen , (zwak werkwoord, transitief) , Schoonmaken, opknappen. Zie gnap. Thans in onbruik. || A° 1709 den 9 Maert hebben de regenten van Saendijck ... geresolveert om de nieuwe kerck op te hoogen en de oude kerck wat te gnappen, Hs. resolutieboek, archief v. Zaandijk. Voor sarke gnappe (schoon houden der zerken), Uitgavepost in het Rekenboek der kerk te W.Zaandam, a° 1728 en vele volgende jaren, Zaanl. Oudhk. – Vgl. opgnappen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
knappen , knappen , Klappen. H(i)ee kent ’t knappen van de zweppe.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
knappen , knapm , werkwoord, zwak , knallen. Knapbloaze, varkensblaas
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
knappen , knappe , breken Wa knapte dè wa! Wat knapte dat hè! (met hard geluid.)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
knappen , knappe , knapde, haet of is geknap , knappen; barsten. Knappe va gif: barsten van woede.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
knappen , knappen , 1. botsen. 2. knallen. 3. breken.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
knappen , knappen , knappen, eknapt , 1. botsen; 2. knappen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
knappen , knappen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. knappen, breken De achterbaand is mij eknapt (Mep), Doe mos nich te verre boegen, dan kan het wal ies knappen (Bov), Dai takken binnen knapt, wat jammer (Vtm), Ik bin uut de jasse knapt (Die), Het vrös dat het knapt (Klv), Hie lög dat het knapt liegt dat hij barst (Sle) 2. knallen, knetteren De jonges knappen oldjaorsaovend met de kerbidbus (Nor), Het vuur knapt lekker (Pdh), Het hef vannacht aordig onweerd, hej het wel heuren knappen (Ruw), De plof knapte de straot langs, de kwaojong har de demper der oet haold (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knappen , knappen , knappen. Gunninks woordenlijst van 1908: IJ kent et knappen (ook: klappen) van de zwepe ‘hij weet hoe het hoort’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
knappen , knappen , werkwoord , 1. een knappend, brekend geluid geven, dof knallen 2. barsten, brekend uiteenspringen, knappend doen breken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knappen , knap , knoept, knupt, knapt , het vrös dat het knapt, het vriest dat het kraakt.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
knappen , kneppe , kneptj, knepdje, gekneptj , 1. een knappend geluid maken 2. alcohol drinken 3. met knikkers schieten , De lamp knepdje kepot. Drie mösse kneppe: drie mussen doodschieten. Luus kepot kneppe.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
knappen , kneppe , werkwoord , kneptj, knepdje, geknepdj , leegdrinken, opmaken: ein fles wien kneppe – een fles wijn leegdrinken (oorspronkelijke betekenis: doen knappen, doen barsten) ook seldaot, pater make
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
knappen , knappe , werkwoord , knaptj, knapje, geknaptj , breken, stuk gaan
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
knappen , kneppe , werkwoord , kneptj, knepdje, gekneptj , knappen, sprokkelen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal