elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knauw

knauw , gnau , hap, beet, van een dier dat onverwacht naar iets bijt. Zie: gnauen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knauw , knaai , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Knauw, knoei, knak. Zie knaaien. || Hij het ’en lillike knaai ’ekregen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
knauw , knauw , de , knauwen , 1. knauw, harde beet Ik heb een knauw had van het peerd (Pdh), Dat maj wel ’n knauw extra geven van eten, dat niet goed gaar is (Hgv) 2. (fig.) knak Hie hef een lillijke knauw had (Sle), Dat hef ’m een knauw geven (Hgv) 3. stuk ergens uit, van (Zuidwest-Drenthe, zuid) Het water hef een hele knauw uut de wal espuuld (Flu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knauw , knauw , knauw
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
knauw , knauw , knaauw, gnauw , zelfstandig naamwoord , de; harde beet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knauw , knaw , zelfstandig naamwoord, mannelijk , knawwe , knauw
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
knauw , knaaw , zelfstandig naamwoord , iets om op te kauwen, tussendoortje; Moeder kopt bij de pòllingkraom/ wè knaaw vur onderweege. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Kèrmes‘)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal