elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kneden

kneden , knéën , (zwak werkwoord) , kneden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kneden  , knaeie , kneden, ook jongensspel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kneden  , knetse , kneden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kneden , knean , werkwoord, zwak , 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: kneare, verleden tijd: knearn , 1 kneden, 2 lopen door zachte grond
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kneden , knèêje , kneden; zwoegen Tègge de wiend inknèêje Tegen de wind in zwoegen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kneden , knaeë , knaede, haet of is geknaet , kneden. Zie ook: deich en traeë.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kneden , knaeje , fiënmake, b.v. mitte verkèt de petatte knaeje; óppe fiets tegge de weend i knaeje; óppe fiets d’r tussenoët knaeje.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
kneden , knééje , deeg kneden met de hand.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
kneden , knieden , kneden , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe). Ook kneden (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = kneden Hij zit het deeg te kneden (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kneden , kneden , kneen , kneden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kneen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kneden , kneen , kneden. Deeg kneen met de voete mos verbeun wèèn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kneden , kneden , knieden , werkwoord , kneden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kneden , knèje , werkwoord , knèjde, geknèjd , kneden , VB: De môs d'n dèg knèje en daan 'n oor laote goën.; zich laote knèje afmatten (zich laten afmatten) zich laote knèje (vero.) VB: Laot dich neet zoe doer dat keend knèje
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kneden , knaaien , kneden.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kneden , knáie , werkwoord , kneden (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kneden , knaeje , knaetj, knaedje, geknaedj , kneden , ’t Deig knaeje.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kneden , knaeje , werkwoord , knaetj, knaetjdje, geknaedj , kneden zie ook mingele, póngele
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kneden , knaaje , knaeje , werkwoord , (eerste vorm) kneden, prakken, (tweede vorm) fietsen in harde tegenwind, kneden, onelegant lopen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kneden , knaeje , knaejde – geknaejd , kneden; fietsen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal