elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kneuteren

kneuteren , knutteren , kneukelen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
kneuteren , knutêrn , knutselen, klein timmerwerk uit tijdverdrijf vervaardigen. Oostfriesch klütern = fijne arbeid verrichten, uit tijdverdrijf iets terecht flikken, timmeren of lijmen, enz., ook Nederduits. ʼt Woord zou samenhangen met het Angel-Saksische clût, stukjes belegsel, wat men op iets smeert of lijmt, en het Noordfriesch klütt = lap, om daarmede iets te flikken, zooveel als: afgescheurd stuk, een brok, waaraan verder het begrip van nietswaardigs, nietigs, onbeduidends wordt verbonden. Vgl. Middel-Hoogduitsch klüterwort = onnut, nietig woord; verklüteren = door allerlei bewerkingen verwarren, verwikkelen. Alzoo zal de l bij ons verwisseld zijn in n.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kneuteren , knutteren , (zwak werkwoord, intransitief) , Pruttelen, grommelen, verdrietig zijn; van zeer kleine kinderen. Zie synon. op meutelen. || Wat heb-je toch, dat je zo knuttere (knuttert)? – Knutteren is ook elders in N.-Holl. bekend; ook in de zin van grommen, knorren. Daarnaast was vroeger in gebruik gnutteren. Zie verder Ned Wdb. V, 179 en FRANCK 471, en vgl. knoeteren. – Zie knutterig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kneuteren , knoeteren , (zwak werkwoord, intransitief) , Stamelen, onverstaanbaar en gebrekkig spreken; van kleine kinderen. || Antje begint nou toch wat te knoeteren. Ze knoetert nag maar wat. Hij ken zo aardig knoeteren. – Vgl. Ned. kneuteren, knorren, grommelen; stamelen (VAN DALE en DE JAGER, Freq. 2, 268 vlgg.). Zie ook knutteren, en vgl. knoeteraar, geknoeter, verknoeteren.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kneuteren , kniötteren , zwak werkwoord , kreuken
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kneuteren , knùtrn , werkwoord, zwak , 1 kreukelen, 2 leegdrinken, opeten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kneuteren , knuutern , knutselen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kneuteren , knootere , knooterde, haet geknootert , pruttelen, brommen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kneuteren , knötteren , knötteren, eknötterd , kreukelen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kneuteren , knöttern , kneutern, knuttern, knèutern , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook kneutern (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), knuttern (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), knèutern (Midden-Drenthe) = verfrommelen, kreukelen Wat heb ie lelijk op de jurk zeten, ie hebt hum hielemaol knötterd (Nam), Die man hef gien plooi meer in de boks, het knuttert almaol (Emm), Die lappe muj niet nemen, dat goed kneutert drekt (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kneuteren , knutern , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents veengebied, Noord-Drenthe) = knutselen, priegelen, niet opschieten Hij zit de heile dag zu’n beetie te knutern (Bco), Knooien is bie aine, dei nooit kloor komt en knutern bie aine, dei dat as hobby dut (Eco), Jan zit in het schuurtje te knutern (Vtm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kneuteren , kneuteren , (Gunninks woordenlijst van 1908) zie kneuten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kneuteren , knöttern , 1. verkreukelen. 2. op hardhandige wijze omarmen. Ik zal oe es knöttern, dat oe de bottn der zeer van doet.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kneuteren , knoeteren , knuteren, kneuteren, knoekeren , werkwoord , 1. iets doen kreukelen 2. kreukelen, kreuken krijgen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kneuteren , knoëtere , werkwoord , knoëterde, geknoëterd, knoëterenterre , jammeren , (zacht jammeren van baby's) knoëtere VB: 't Kênneke lik al de gaanse noon te knöetere, wat maog dat toch hebbe.; mokken knoëtere VB: Dèn awwe noonk zit altiéd mer ién z'nne lènsjtool te knoëtere.; mopperen; knoëtere; pruilen knoëtere
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kneuteren , knösteren , (werkwoord) , knösteren, eknösterd , mopperen. Zie ook: nösteren.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kneuteren , knötteren , kneuteren , (werkwoord) , knötteren, eknötterd , 1. zachte geluiden maken, bijv. van een baby; 2. kreukelen. Zie ook: krökkelen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kneuteren , [mopperen] , knotere , knotertj, knoterdje, geknoterdj , mopperen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kneuteren , knoeëtere , knuuëtere, knoôtere , werkwoord , eerste en tweede vorm Weerts (stadweerts); derde vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; mopperen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kneuteren , knaotere , mopperen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal