elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knielen

knielen , kneile , kneilde, haet of is gekneilt , knielen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
knielen , knielen , kneilen , zwak werkwoord, overgankelijk , Ook kneilen (Zuidoost-Drents veengebied) = knielen Ik mus der bij knielen, anders kun ik der niet bij (Dro), Ik hoeve toch warachtig ok niet veur hum te knielen hem onderdanig te zijn, hem te smeken (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knielen , knele , kneje , werkwoord , kneelde, gekneeld/kneejde gekneejd , knielen , VB: Es de perséssie mêt 't Allerhêlligste langs kömp, knele de lûi mêt èine kneej oppe groond.; kneje (vero.)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
knielen , knele , werkwoord , knielen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal