elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knipoog

knipoog , knipoge , knipoog.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
knipoog , knipoog , de , knipoog Het wicht gaf mij ’n knipoogien en doe was het zowat veur mekaar (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knipoog , knipoog , knipoge, kniepoog, kniepoge , zelfstandig naamwoord , de; knipoog
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knipoog , [knipoog] , knipuigske , (onzijdig) , knipoogje , Emes ei knipuigske gaeve.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
knipoog , knipoug , knupoug , zelfstandig naamwoord, onzijdig , knupuig , knipuigske/knupuigske , tweede vorm Ospels; knipoog
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal