elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knipper

knipper , knipper , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Knip, grendel. || Doen de knipper maar op de deur.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
knipper , knipper , knupper , mannelijk , knipperte/knuppesj , knipperke/knupperke , drukknoop.; knupper drukknoop; knip van een beurs e.d
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
knipper , knippert , mannelijk , knipperte , knipperke , iemand, die voortdurend met de oogleden knippert.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
knipper , knipperke , drukknoop.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
knipper , [drukknoop] , knipper , (mannelijk) , knippers , knipperke , drukknoop, zie ook luiwievereknoup
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
knipper , knipper , knupper , zelfstandig naamwoord, mannelijk , knippers/knuppers , knipperke/knupperke , tweede vorm Ospels; drukknoop
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal