elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kruimelen

kruimelen , inkrummêln , inkrömêln , (inkruimelen); zien geld krummelt ʼr bie in = zijn geld gaat er langzamerhand mee verloren, teert er bij in.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kruimelen , kruimelen , (zwak werkwoord) , vgl. krummelen en verkruimelen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kruimelen , krummelen , (zwak werkwoord) , Kruimelen. Zie krummel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kruimelen , krummelig , (bijvoeglijk naamwoord) , Kruimelig, vol kruimels. Zie krummel. || Wat is de tafel krummelig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kruimelen  , grümele , verkruimelen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kruimelen , krömmelen , zwak werkwoord , kruimelen, knoeien, treuzelen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kruimelen , krumln , werkwoord, zwak , verkruimelen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kruimelen , krummele , werkwoord , 1. Kruimelen. 2. Kruimelwerk verrichten, klungelen, onhandig of pietluttig bezig zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kruimelen , greumele , greumelde, haet of is gegreumelt , kruimelen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kruimelen , krummelen , zo werken dat er niets van terecht komt.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kruimelen , krummelen , krummelen, ekrummeld , kruimelen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kruimelen , krummeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. kruimelen Ik krummel mie altied stoete in de melk (Bco), Die aolde stoet moej even fien krummeln veur de kukens (Bor), Die stoete is dreuge, die döt niks as krummeln (Dal) 2. moeizaam voorwaarts komen, niet opschieten Hie lig aaid in ’t ronde te krummeln hij schiet niks op (Sle), Daor krummelt aol Wulmie ok weer de straot langs (Eex), Die man kan niet opschieten mit het wark, het blif krummeln (Uff), Hij krummelt er al weer tegenop het gaat hem weer beter (Nam) 3. sukkelen Aj ienmaol an de krummel bint, dan bliej an het krummeln (Ruw), Hie krummelt ’t hiele winter al (Oos), Hij krummelt weer wat met de gezondheid (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kruimelen , krummelen , kruimelen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kruimelen , krummelen , 1. kruimelen; 2. niet opschieten met zijn/haar werk
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kruimelen , krummeln , kruimelen, sukkelen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kruimelen , krûmmele , kruimelen , Zit'ter nouw toch nie zó te smorse meej'jew spiklôssiemop, zit'ter ammel te krûmmele. Zit er nu toch niet zo te knoeien met je speculaas, zit er allemaal te kruimelen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kruimelen , krummelen , werkwoord , 1. tot kruimels worden, afvallen van kruimels 2. kruimelend, morsend eten van brood, koek e.d. 3. in kruimels uiteen doen vallen, verkruimelen, verbrokkelen 4. zich langzaam en met moeite voortbewegen, zich met kleine, moeizame bewegingen verplaatsen 5. sukkelen door ziekte, vooral: tergend langzaam beter worden 6. niet opschieten met z’n werk of andere activiteit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kruimelen , krummele , werkwoord , krummel, krummelde, gekrummeld , kruimelen Zit niessôô te krummele! Zit niet zo te kruimelen!
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kruimelen , kruummele , kruimelen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kruimelen , krumelen , 1. licht werk doen (Oldebroek, Wezep); 2. moeizaam overeind komen of op weg gaan.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kruimelen , krummelen , drentelen, met kleine pasjes lopen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kruimelen , kreumele , kruuëmele, gruuëmele, greumele , werkwoord , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede en derde vorm Weerts (stadweerts); vierde vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; kruimelen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kruimelen , kromele , werkwoord , (Nederweerts) kermen, zachtjes, praten, klagerig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kruimelen , krumele , krumelde – gekrumeld , kruimelen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal