elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kruin

kruin , kruin , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – In verklaring kruintje ook het stuitje, de eerste of laatste plak van roggebrood. || Geef mijn ’et kruintje maar, ik heb goeie tanden. – Kale kruin, zie een zegsw. op haar.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kruin  , krün , kruin.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kruin , kruin , zelfstandig naamwoord , Eerste en laatste snee van een brood. Ook: snee brood. Meestal in de verkleinvorm kruintje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kruin , kruun , mannelijk , kruune , kruunke , kruin. ’t Veil ’m paaf op ziene kruun: het viel hem pardoes op zijn hoofd.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kruin , krunj , kruin van het hoofd.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
kruin , kreuntien , kruin
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kruin , kruun , krune , zelfstandig naamwoord , de, et 1. oude, krengachtige vrouw 2. boomkruin 3. bovenste deel van het hoofd met het hoofdhaar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kruin , kroene , (met lange oe) , (zelfstandig naamwoord) , kruin. Zie ook: krone.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kruin , kruin , krùntje , kruin
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kruin , kruun , (vrouwelijk) , krune , kruunke , kruin , De kruun gesjoeare höbbe.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kruin , kruun , zelfstandig naamwoord , krune , kruunke , kruin; zich de kruun laote sjaere – zijn kruin laten scheren (priester worden)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kruin , kruuënke , kruuënkes , (verkleinwoord) kruin, tonsuur bij priesters
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kruin , krèùn , zelfstandig naamwoord , kröntje , bladdragende takmassa; WBD III.4.83 'kruin' = takken (collectief); kröntje; verkleinwoord; Henk van Rijen – kruintje
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal