elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kruisen

kruisen , kruusken , schikken, plooien, schipperen, om eene zaak in orde te houden; ’t is ’n arm gekruuske = ’t kost veel moeite en geduld, vooral wanneer men met onwil en onkunde te kampen heeft.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kruisen , krusen , kruisen , in geschrifte kruisen; verschillende soorten of rassen laten telen, om zoodoende het ras of de soort te veredelen. Dit wordt hier vooral op paarden, schapen en varkens toegepast, en spreekt men o.a. van volbloed, van half, kwart, drie kwart, enz. Engels ras. (’t Woord komt niet bij v. Dale voor, ofschoon het in den wetenschappelijken landbouw eene aanzienlijke plaats inneemt.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kruisen , krusje , kruisjassen, een kaartspel.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
kruisen , kruzen , krusen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , Ook krusen = 1. kruisen Waor nou de wegen kruust, stun vroeger de schoel (Bor), Onze wegen kruust mekaar wij ontmoeten elkaar (Nam), Die brieven hadden mekaar kruusd (Bro), Ik heb de narms ekruusd (Flu), Kruus ij hum even? gezegd tegen iemand die een garf kruislings moet plaatsen (Sle) 2. kruisen van dieren Hij wil zien Belg mit een Hogelandster kruzen (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kruisen , kruzen , kruuizen, krusen , werkwoord , 1. in kruiselingse stand komen, doen zijn 2. loodrecht snijden, ook: in tegengestelde richting gaan 3. elkaar kruisen, snijden 4. kruisen van een soort, ras
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kruisen , kruse , werkwoord , kruusde, gekruus , kruisen , VB: 't Sjpoer kruus hié de Groete Wëg.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kruisen , kruutse , kruutstj, kruutsdje, gekruutstj , 1. kruisen 2. kruisjassen, kaartspel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kruisen , kruutse , werkwoord , krtsjtj/kruutsjtj, kruutsjdje, gekrtsjdj/gekruutsjdj , 1. kruisen 2. kaartspel (lijkend op klaverjassen)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kruisen , kruutse , kruutse, zich , werkwoord , krtsjtj/kruutsjtj, kruutsjdje, gekrtsjdj/gekruutsjdj , 1. elkaar kruisen (van wegen bijvoorbeeld) 2. een kruisteken maken; es se dét zuûs, zus se se dich kruutse en zaengele – als je dat (die ellende) ziet, zou je een dubbel kruisteken slaan (zich zaengele is een kruisteken maken met wijwater)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kruisen , kruûse , werkwoord , kruûsj, kruûszje, gekruûsj , kruisen, kruisjassen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kruisen , krèùse , zwak werkwoord , kruisen; WBD krèùse (II:1037) - kruisen: sprong wisselen; ook: spròng wissele of ooverspringe; Dirk Boutkan (1996) - verleden tijd: krèùste naast kröste (blz. 59)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal