elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: krullenbol

krullenbol , kroldebol , mannelijk , kroldebol , kroldebölke , appelbol (meestal met ossekopappel).
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
krullenbol , krullebol , de , krullebol, als bn. Krullebollen Geesie of stopgaoren Derkie sullig vrouwtje (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krullenbol , krullebol , krollebol , zelfstandig naamwoord , de; krullebol
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
krullenbol , krollebôl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , krolleböl , krollebölke , krullebol
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal