elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kuiper

kuiper , [vatenmaker] , kü̂per , (mannelijk) , kuiper.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kuiper , kuiper , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – In een papierfabriek. De man die aan de kuip (schepkuip) werkt. Ook papierkuiper. || De molenaars ... moeten maken dat de kuipers voort kunnen. Ziet u, de molen maalt stof (papierstof) en de kuipers halen dit (l. die) stof uit (grote) bakken en dat wordt gemaakt tot papier, Arbeids-enquête (a° 1891), 3073.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kuiper  , kuuper , kuiper.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kuiper , küpper , mannelijk , kuiper
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kuiper , kuupr , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kuuprs , kuuprken , vatenkuiper
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kuiper , kuuper , mannelijk , kuupesj , kuuperke , kuiper.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kuiper , kuper , koeper , de , kupers , Ook koeper (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) = kuiper Een koeper muik vaoten, tunnen en tobben enz. (Erf), Nou de botterfebriek weg is, hew ook gien kuper meer (Die), Jaan hef het kupen leerd van zien aol heer, die was kuper (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kuiper , kuiper , kuipenmaker.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kuiper , kuper , kuiper
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kuiper , kuper , zelfstandig naamwoord , de; kuiper: iemand die vaten, tonnen maakt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kuiper , kuper , zelfstandig naamwoord mannelijk , kupers , - , kuiper , VB: Bèr Peters ês jaorelaank kuper gewès ién Groéselt.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kuiper , kùìjper , kuipenmaker
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kuiper , kuper , (mannelijk) , kuiper
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kuiper , kuper , zelfstandig naamwoord , kupers , kuperke , kuiper, vaten-/tonnenmaker
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kuiper , kuper , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kupers , kuiper
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kuiper , kèùper , zelfstandig naamwoord , kuiper; Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): et kèùperke = H. Wilborts (blz. 84)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal