elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kul

kul , kullen , (zelfstandig naamwoord) testiculi. Kil. kul, mannelicke roede, coles, colis, penis; ook: coleus, testis, testiculus, Gal. couillon, Ital. coglione, Hisp. cojone.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kul , kul , studentenwoord (ook in mijn Vaders studententijd te Leiden), onstudentikooze student; een ‘Pieter Stastok’, Gedenkschr. 1840, IV. 6. - Verg. Wdb. VIII, 535.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
kul , köl , Kale köl, flaauwe praat.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kul , köls , kölske , knikker.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kul , kólse , mv , gele korstjes in de ogen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kul , kul , kuul , mannelijk , kulle , kulke , dikke stok, knuppel.; kul, flauwe praat, onzin.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kul , kul , de , kullen , 1. mannelijk geslachtsdeel (Zuidwest-Drenthe) Likt mij de kul grof voor: je kunt me wat (Hol), ook als scheldwoord Wat een kul stommeling (Dwi) 2. kuil, ‘pot’ bij knikkeren of centgooien (Zuidwest-Drenthe) ’k Gao mit mien stuiter in de kul liggen (Die), Wie de cent in de kul gooit is winnaar (Ruw), zie ook zak 3. stommeling (Zuidwest-Drenthe, noord) Wat een kul (Dwi), maar Een zielig meinsien is een kullegien (Wsv) 4. (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), in Het is allemaol flauwe kul onzin (Bui) of Hij hef mij veur kul zet bedrogen (Nam) *Dat past as kul op Griet slaat nergens op (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kul , kullies , de , (Kop van Drenthe) = sufferd Het is een gorries een kullies (Pei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kul , kul , zelfstandig naamwoord , de 1. penis 2. in flauwe kul
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kul , kuel , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , kul , VB: Sjej toch oét mêt dè flawwe kuel, zuús te neet dats te dich beléchelik maks?; flauwe kul flawwe kuel; gein (voor de gein) vuur de flawwe kuel VB: Ich käort 'ns 'nne kier mêt vuur de flawwe kuel.; nonsens kuel VB: Sjej toch oét mêt dè flawwe kuel, dao wör ich kraank van.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kul , kulleke , koosnaampje
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
kul , kulleke , weigering , wilde gij vur mij ’n bodschap doen = wil jij voor mij een boodschap doen- ja daag, de kat z’n kulleke = ja daag, doe het zelf maar-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
kul , [knikker] , köls , (mannelijk) , kölse , dikke knikker
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kul , köls , zelfstandig naamwoord , kölse , kölske , knikker (afgeleid van het Latijnse culeus en het Franse couille – teelbal, kloot)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kul , kûl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , praat, flauwe, onzin
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal