elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kwaken

kwaken , kwaeken , (werkwoord) , "Luidruchtig weenen of praten. Een kwaeker, een kwaek, iemand die bij het spreken veel lawaai maakt, het hoogste woord voert. Het is welligt afgeleid
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kwaken , kwaken , Zeuren. Wat liggî tòch met dat kind te kwaken! Afl.: verkwaken, verwennen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kwaken , kwääken , kwaken
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kwaken , kwaakng , werkwoord, zwak , onzin praten, overbodige dingen zeggen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kwaken , kwaake , kwaakde, haet gekwaak , kwaken.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kwaken , kwake , hárd rope.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
kwaken , kwaeken , 1. luidruchtig, veel en zeurderig praten. 2. kwaken.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kwaken , kwaken , kwaeken, kwaoken , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook kwaeken (Zuidwest-Drenthe, noord), kwaoken (Noord-Drenthe) = 1. kwaken As bij de zomerdag de eenten nog kwaken, dan krieg we regen daags (Klv), Heur ie de kikkers wel kwaeken? (Die) 2. kletsen, kwekken Dat vrouwgien stiet altied an de weg te kwaken (Oos), ...bij de weg... (Een)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kwaken , kwäken , (Gunninks woordenlijst van 1908) kwaken, babbelen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kwaken , kwaekn , kwaken.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kwaken , kwaoke , kwaken , De kikvorse zén z'n bèst ôn't kwaoke, bèst schón mér't begient wél'les te verveele. De kikkers zijn veel aan het kwaken, best mooi maar het begint wel eens te vervelen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kwaken , kwaeken , kwakken , werkwoord , 1. kwaken van kikkers, eenden; ook gezegd van het geluid van een kwartel 2. druk kletsen 3. een bep. geluid maken door jonge bijenkoninginnen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kwaken , kwèke , werkwoord , kwèkde, gekwèk, kwèkenterre , kwaken , VB: Gawze en ènde kwèke.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kwaken , kwèke , kwaken, ook: druk praten , de minse zate me toch te kwèke in de kërk veurdet den dômenie begôn
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
kwaken , kwake , kwaaktj, kwaakdje, gekwaaktj , schreeuwen, kwaken
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kwaken , kwake , kwaeke , werkwoord , tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; schreeuwen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kwaken , kwaoke , zwak werkwoord , kwaken; Dialectenquête 1887 Willems - kwaoke - kwòkte - gekwòkt; - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij kwòkt
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
kwaken , kwaeke , kwaekde – gekwaek , schreeuwen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal