elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kwaker

kwaker  , kwakkert , kikvorsch.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kwaker , kwaakrd , zelfstandig naamwoord, mannelijk , iem. die aldoor praat zonder reden of uit een waandenkbeeld
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kwaker , kwakkert , mannelijk , kwakkerte , kwėkkerke , kikvors. Zët eine kwakkert op ’ne sjtoul en hae sjprink weier in de poul: een mens blijft, zoals hij is. Veer kreege jeeder zooväöl, ės twee kwakkerten op ’n börch kónne draage: wij kregen niets. Ėt is sjlėch vaere plökke van ’ne kwakkert
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kwaker , kwaekert , mannelijk , kwaekesj , kwaekerke , kwaker, keep, Fringella montifringilla; schreeuwer.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kwaker , kwaekert , 1. kleinzerig persoon. 2. klagerig persoon. 3. veelprater.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kwaker , kwaker , kwakerd, kwaekerd , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Noord-Drenthe). Ook kwaekerd (Zuidwest-Drenthe, noord), = 1. iemand die veel praat Wat hef die kwakerd der nou weer over te zeggen? (Pdh), Het is ’n kwakerd van ’n kerel (Ros), zie ook kwekkerd, kwakkerd 2. mond Holt oen kwakerd nou ies een poosien dichte (Mep) 3. bijenkoningin (Zuidwest-Drenthe, zuid), In de bijenwereld spreke wij van tuter en kwaker (Hav), zie bij tuter
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kwaker , kwakerd , kletskous
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kwaker , kwaekerd , kwaeker, kwakerd, kwaker , zelfstandig naamwoord , de 1. iemand die veel kletst 2. mond 3. lokeend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kwaker , kwakerd , (zelfstandig naamwoord) , 1. kwebbelaar. Zie ook: kwekkonte; 2. mond. Ol oew kwakerd is effen dichte!; 3. kleinzerig persoon.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kwaker , kwaker , kwakert , (mannelijk) , kwakers , kwaker, schreeuwer
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kwaker , kwakkert , zelfstandig naamwoord , kwakkerte , kwekkerke , kikker; riejere wie eine kwakkert – beven als een juffershondje; iëst koelkop zeen óm kwakkert te waere – men moet van onderaf beginnen (onomatopee: klanknabootsing van het geluid dat een kikker maakt)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kwaker , kwakker , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kwakkers , kwekkerke , kikker; kwakkert kikker, kletskous
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal