elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kwansuis

kwansuis , kwanskwies , kwansuis, Gron. kwanswies.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kwansuis , kwanskwies , kwansuis, voorgewend, schijnbaar, niet gemeend; ook Drentsch.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kwansuis , kwanskwies , kwasi.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
kwansuis , kwansuus , kwansuis.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kwansuis , kwansies , net alsof.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kwansuis , consuus , vur consuus = vur de schiën.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
kwansuis , kwaanskwies , kwaanswies, kwieskwaans, kwaansgewieze, kwaansie, , bijwoord , (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook kwaanswies (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), kwieskwaans (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), kwaansgewieze (Zuidwest-Drenthe, zuid), kwaansie (Kop van Drenthe), kwaanswie (Midden-Drenthe), kwaansies (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe), kwasies (Zuidoost-Drents zandgebied), kwanswies (Zuidoost-Drents zandgebied), kwansuis (Veenkoloniën), kwaanswils (N:Sle) = 1. quasie, net alsof doende Ik keke kwaanskwies naor buten, mor ik haar hum best in de gaeten (Die), Die jongen doet kwieskwaans of ze an Sunterklaos geleuft, mar op zes december proot ze wel aans (Bro), Zij kan zo mooi kwaanswies ’n bosschuppie maken (Hgv), Zo kwaanskwies mèuk hij de vèters vaste en lusterde mitiene naor het geproot van de koopluu (Ruw), Iene kwaanskwies wat vraogen (Dwi) 2. zo maar wat, zo maar even (Midden-Drenthe) Ik heb zo maar kwieskwaans wat opschreven (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kwansuis , kwansuus , (Kampen) kwansuis
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kwansuis , kwaanskwies , kwaanswies, kwaanskwief, kwieskwaans, kwiskwaans , bijwoord , tersluiks, ongemerkt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kwansuis , kwañsuis , bijwoord , kwasi, zogenaamd, terloops, voor de schijn Ik heb ’t heur kwansuis gevrooge en ze zee dattut waer was
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kwansuis , kwañtjies , uitdrukking , kwañtjies weergao In uiterlijk lijken op
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kwansuis , kwaansys , bijvoeglijk naamwoord , schijnbaar , quasi kwaansys VB: 'r Doeg kwaansys of 'r hèivers goûng meh 'r sjteet zich de kaffee ién.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kwansuis , kaksieus , schijnbaar serieus. zie ook “kwaksuis”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
kwansuis , kwaksuis , schijnbaar serieus. zie ook “kaksieus”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
kwansuis , schanshuis , stiekem, quasi, kwansuis
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kwansuis , kwansuus , kwansuis, quasi, voor de schijn, onbelangrijk.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kwansuis , skanshois , bijwoord , terloops (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kwansuis , kwansies , voor de flauwe kul, doen alsof
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kwansuis , kwansies , 1. schijnbaar 2. argeloos, maar toch met een bijbedoeling 3. kwasi (Latijn: quamsi – alsof)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kwansuis , kwansiês , bijwoord , alsof, quasi, zogenaamd
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kwansuis , kwansèùs , bijwoord , De Wijs – Ge kekt kwaansuis den aanderen kaant in mar ge wit er wel mir van (10-01-1970); Cees Robben – Zô mar gewoon.. kwansuis... (19590530); Cees Robben – Mar witte wet is... zeej Lewieke kwansuis.. (19590801); Henk van Rijen – kwansuis, schijnbaar, quasi; Piet van Beers – ‘Den Haon’: Hij schudt zenne kop/ z'n vèère glimme/ èn zô nou èn dan/ ziedem kwansuis 'n kiep beklimme. (Spoeje doemmeniemer; 2009); Stadsnieuws -  Hij keek zôo kwansèùs es oover zene schouwer òf zij ok nòr hum keek – (130110) Hij keek als per ongeluk over zijn schouder ...; Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln. 1988-1994. - kwaksuis (III:13); WNT KWANSUIS - bijwoord  ook wel kwanswijs, z.a.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal