elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kwekker

kwekker , kwekker , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zeker soort van eend. Krakeend, Lat. Anas strepera (SCHLEGEL, De Vogels 213). Ook voor: bakkelaar, kletskous, iemand wiens mond niet staat. – Zie verder op roeper.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kwekker , kwéêkert , m , schreeuwlelijk.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kwekker , kwekker , kwekvoars.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
kwekker , kwèèker , zelfstandig naamwoord , huilebalk. Bij zeer deftige begrafenissen werd de stoet voorafgegaan door de kwèèker. Deze deftig in het zwart gestoken huilebalk droeg een hagelwitte doek om (symbolisch) de tranen mee te drogen. Koster-klokkenist Toon de Kort was een der laatsten. Jantje Brouwers was de allerlaatste. De kwèèker is te zien in de film “Ongewijde aarde” waarin de begrafenis van pastoor de Beer (l965) is vastgelegd.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
kwekker , kwekker , kwekkerd , de , kwekkers , (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = iemand die veel kletst, kwekt Dat is zo’n kwekkerie van ’n wiefie (Vri), Dat mèensk is wel zun kwekkerd, ’s naachts op bèer steeit de mond nog niet stil (Eex), zie ook kwakkerd
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kwekker , kwèker , zelfstandig naamwoord mannelijk , kwèkers , kwèkerke , keep , (bep. vogel) kwèker VB: 'nne kwèker ês e soert veenk.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kwekker , kwekkert , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kwekker(t)s , kwekkerke , (Nederweerts) kikker
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kwekker , kwèèker(d) , zelfstandig naamwoord , schreeuwer(d), schreeuwlelijk; Pierre van Beek –  iemand die hard roept of schreeuwt; Cees Robben – wes toch unne kwèèker.. (19870717); Henk van Rijen - ene grôote kwèèkerd opzètte - een grote mond hebben; Bijnamenboek Karel de Beer - de kwèèkerd = pastoor v.d. Velden (blz. 79); WBD III.3.1:227 'kweker', 'uitslover' = bullebak; WBD III.4.1: 26 'kweker' = jong, kaal vogeltje, ook 'nestjong'; A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder d’Oerse taol, 1958 etc. - ; kwä.k?r znw.m. 'kweiker' hij die kweekt (in bett. 2+ 3 van 'kwä.k?(n)); Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KWÊKER znw.m. - soort van vink die niet zingt of slaat als de andere. Jan Naaijkens, Dè's Biks - 1992 - kwèèker zn - huilebalk; Bosch kwèèkerd - luidruchtig persoon; mond
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal