elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kwikstaart

kwikstaart , kwiksteert , (mannelijk) , wipstaart (vogeltje).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kwikstaart , kwikstart , v , koket meisje. [Mill]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kwikstaart , kwiksjtart , mannelijk , kwiksjtėrt , kwiksjtėrtje , kwikstaart, Motacilla alba (witte), Motacilla flava (gele) en Motacilla cinnerea (grote gele).
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kwikstaart , kwikstät , kwikstaart; * zien vae was ’n kwikstät: zijn vader was een flierefluiter.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kwikstaart , kwikstaart , de , kwikstaarten , kwikstaart Wij hebt aal jaor een kwikstaart in het hokkie op zied van het hoes (Eex), Een kwikstaart, vrouger zeden ze meer van bouwmannegie (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kwikstaart , kwikstart , kwikstaart , Ne kwikstart zit aalté meej z'n stértje te wippe én daor zal'lie zun'ne naom van hébbe. Een kwikstaart zit altijd met zijn staartje te wippen en daarom zal hij zo heten.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kwikstaart , kwikstat , zelfstandig naamwoord , de; kwikstaart
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kwikstaart , kwiksjtert , zelfstandig naamwoord mannelijk , kwiksjterte , kwiksjtertsje , kwikstaart , (witte kwikstaart) kwiksjtert
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kwikstaart , kwikstart , kwikstaart
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kwikstaart , kwikstèèrt , kwikstaart.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
kwikstaart , kwikstaert , (zelfstandig naamwoord) , kwikstaart. Zie ook: akkermännegien, bouwmeestertien.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kwikstaart , kwikstart , kwikstaart
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kwikstaart , kwikstèrt , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kwikstèrte , kwikstèrtje , kwikstaart, witte
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kwikstaart , kwikstèrt , zelfstandig naamwoord , kwikstaart; Henk van Rijen – witte kwikstaart (Motacilla alba); Kiliaen quicksteert, Motacilla cauda tremula
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal