elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lak

lak , lak , (zonder meervoud) , mislukte proef. Hij dacht mij een loer te draaien, maar het was lak. ’t Is altemaal lak.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
lak , lak , laf, zouteloos.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
lak , lak - smak , in: d’r is gijn lak of smak an = ’t is flauw van smaak, laf, smakeloos, elders: zonder kraak of smaak, Oostfriesch gên klak of smak, – lak verwant met lekker; smak, van smaken, dus het geheel eene tautologie en zooveel als: geene lekkerheid, zelfs geen smakelijkheid.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lak , lak , in: da’s lak, of: da’s moar lak! en: altemoal lak = lak mit oueltjes! Zooveel als: dat is maar gekheid, dat zijn uitvluchten, smoesies, gij wilt mij wat wijsmaken. Kil. laecke, lacke, Engelsch lack = wat gebrekkig, niet in den haak is; v. Dale: lak = gebrek, fout, misslag. – Daar men bij het woord aan zegellak denkt, voegt men er, aardigheidshalve, ouweltjes aan toe.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lak , lak , Dwaasheid, gekheid. , das maor lak! In de omstreken: flauw, b.v. ʼt Èten is te zòlt of te lak.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
lak , lak* , bij v. Dale = gebrek, fout, misslag.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
lak , lak , Dwaasheid, gekheid. , das maor lak! In de omstreken: flauw, bv. ’t Èten is te zòlt of te lak. Daor is gîn lak of smaak an! Zie ook: laf.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
lak , lak , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , flauw
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
lak , lak , weinig zout bevattend.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
lak , lak , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidwest-Drenthe, zuid, dva) = laf, niet zout genoeg Het is mij te lak (Ruw), zie ook laf
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lak , lak , de, het , 1. lak Die fiets zit nog goed in de lak (Oos), Nim mor tweei bus lak met, daor heb ik genog an veur dit holt (Eex) 2. onzin, bedrog (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, ti, be:Kop van Drenthe) Het is allemaole grote lak wat hij vertelt (Die), Zie deden groot, mor het was almaol lak, zie hadden gien cent (Sle), Lak met ouweldies praatjes (be:Rod) 3. smaad, beledigende opmerking (Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe) Die kan alleman een lillijke lak naogeven (Hav), Lak op de lu gooien (Ros) 4. smaak (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) Daor is gien lak of smak an geen reuk of smaak (Zui) 5. in lak hebben an zich er niets van aantrekken Hij kan mie nog meer bestellen, door heb ik lak an (Bco), Ik heb lak an hum (Die), ...de lak an hum ik trek me niets van hem aan (Bui), Ik heb lak aan de rotten, ik heb zelf een starte (Hgv) *’t Is allemaol lak / Schatriek en gien cent op zak (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lak , lakke , de , lakken , (Zuidwest-Drenthe, zuid, ndva) = luilak Die jonge is een lakke, ze kunt niks mit hum begunnen (Mep), (...) en zul ik mij ok nog krom en lam sjouwen um zo’n grote lakke van een wicht lekker te laoten eten en drinken (...) (ndva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lak , lak , zelfstandig naamwoord , lak
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lak , lak , bijvoeglijk naamwoord , niet zout genoeg. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: laf
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lak , lak , zelfstandig naamwoord , et, de 1. lakverf, doorzichtig lak dat op hout wordt aangebracht e.d. 2. zegellak 3. maling, in d’r lak an hebben 4. onzin
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lak , lak , ( bijvoeglijk naamwoord) , flauw van smaak; lakke botter, boter zonder zout of licht gezouten.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
lak , lak , (zelfstandig naamwoord) , smet, blaam.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
lak , lak , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , koeiengebrek, paardengebrek
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal