elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: langzaam

langzaam , lantzaam , langzaam. Het sterft hier lantzaam uit.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
langzaam , lanksaam , langzaam , (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord) , Langzaam. Zie de wdbb. – Evenzo elders in ons land.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
langzaam , lansẹm , lansẹmmer, lansẹmste , langzaam. Baeter lansem, wie gaaroet neit: beter langzaam dan in het geheel niet.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
langzaam , langzaam , laanzem, laankzem, langzaom , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook laanzem (Zuidoost-Drents zandgebied, wh), laankzem (Zuidwest-Drenthe), langzaom (Noord-Drenthe) = langzaam Hij gung langzaam de deure uut (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
langzaam , langsam , lansam , langzaam.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
langzaam , lankzaam , langzaam
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
langzaam , langzaom , langzaam , Ut kömt bè hum zó langzaom, és bè d’n os de rómme. Het komt bij hem zo langzaam, als bij een os de melk. Hij is heel erg traag van begrip.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
langzaam , langzem , laankzem , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. traag, niet vlug verlopend 2. zich met geringe snelheid bewegend 3. in langzem an langzaam
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
langzaam , laansem , bijvoeglijk naamwoord , langzaam , laansem (mnl. 'lansem;: langzaam, traag.) VB: Doég mer get laansem , v'r hebbe tiéd tot uüver ôs oere.; langzaamaan; laansem VB: laansem droûng 't tot 'm doer dat 'r zich verdaold haw.; laansemer zacht (zachter zetten van radio); laansemer zitte
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
langzaam , langsaam , lanksaam , langzaam
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
langzaam , lankzaam , (bijwoord, bijvoeglijk naamwoord) , langzaam.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
langzaam , langsaam , langsamer, langsaamst , langzaam
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
langzaam , lânksaam , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , langzaam
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
langzaam , lânksem , bijwoord , langzaam
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
langzaam , langsem , bijwoord , langzaam; Cees Robben – De potternoster gao na hil langsem dur m’n vingers.. (19540501)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal