elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lapper

lapper , lapperd , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , zie labbe.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
lapper , lappert , bandiet, deugniet
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
lapper , lapper , lapperd , zelfstandig naamwoord , 1. Zeelt 2. Sul, stommeling. Vgl. Boek. onder labbe.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
lapper , lapper , de , lappers , (wh, Zuidoost-Drents zandgebied) = verstelster Een lapper was ok hozenstopper (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lapper , lapperd , lapper , de , lapperds , Ook lapper (Zuidwest-Drenthe) = 1. smeerlap, oneerzaam iemand (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Dat is een dikke lapperd (Eel), Het is zien aigen schuld dadde gain naogel om zien kont te kraben het, dai lapperd (Twe) 2. knoeier, iemand die lapwerk levert (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, N:ti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lapper , lapper , zelfstandig naamwoord, mannelijk , (Ospels) bokje
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeƫ Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal