elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lastig

lastig , lestig , ruim, overvloedig. Dit woord wordt altijd in ontkennende zin gebezigd: van het hooi zegt men: ’t is van ’t joar niet lestig. Van een zieke: ’t is met hem niet lestig.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
lastig , lestig , (bijvoeglijk naamwoord) , lastig, strekkend, ruim.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
lastig , lästig , lastig
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
lastig , lėstich , lėstigger, lėstichste , lastig. Eine lėstige petroon: een lastig iemand.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
lastig , lastig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , lastig Die sommen vind ik nogal lastig (Ass), Haard op de keutel is lastig van een moeilijke stoelgang (Nor), Hij maakt joe het leven aordig lastig! (Bco), Zien vrouw is een lastig petret, maar eerlijk is eerlijk, ze hef heur goeie kaanten ook (Mep), De olde man was weer knap lastig (Zui) *’t Is zo lastig aj haard lopen wilt zee Haarm-Jan, en hie zat met een kepot beein op stooul (Eex); Gek is lastig! tegen iemand die gek doet (Hijk); Het is meer lastig as gevaorlijk vaak gezegd van een onschuldige kwaal (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lastig , láástig , lastig, vervelend. wa waare die verrèkte jong vandaag wir láástig, wat waren die kinderen vandaag weer vervelend.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
lastig , laasteg , lastig , Áéremoej is gin schand, mér wél laasteg. Armoede is geen schande, maar wel lastig. Armoede daar kun je niets aan doen maar het is wel lastig.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
lastig , léstig , bijvoeglijk naamwoord , lastig , VB: 'n léstige som, e léstig keend..; moeilijk léstig VB: Dat ês 'n léstige som. VB: 't Keend wörd léstig , 't kryt sjlaop. Zw: 'nne léstige kompeer: iemand met een moeilijk karakter.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
lastig , lààstig , lastig
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
lastig , lâstig , hinderlijk, lastig
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
lastig , lestig , lestiger, lestigst , lastig, moeilijk, zie ook meujlik , Det is ei lestig menke. Lestig zeen.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lastig , lestig , bijvoeglijk naamwoord , lestige , lastig; eine lestige petroeën – een lastige man/lastige jongen; ein lestig pertret – een lastige vrouw/lastig meisje
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
lastig , lestig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , lastig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
lastig , laasteg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , lastig; Cees Robben: laasteg sekreet! klèèn ont laasteg vrukseltje dè ge zèèt; laasteg potstuk - lastpost, vervelend iemand; A.P. de Bont – bijvoeglijk naamwoord  en bijwoord  - lastig
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
lastig , lástig , lastig
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal