elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lauwer

lauwer , lauwern , meervoud , verdiensten, lauweren Die rust op de lauwern van een aander, die det veur hum klaor emaakt hef (Pes), Hij kan noe op zien lauwern rusten tevreden zijn met het gepresteerde (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lauwer , lawwere , (meervoud) lauweren
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeƫ Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal