elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: laweit

laweit , laweit , lawaai, lawaait , (onzijdig) , geraas, rumoer, luidruchtig leven.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
laweit , lawèit , onzijdig , Joods: lewai, lawaai.; alleweit ophef. Waat ’nen allewèit: wat een drukte, ophef.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
laweit , lewèìjt , lawèìjt , 1. lawaai; 2. leven (herrie)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
laweit , leweît , leweit , kabaal, ophef ook herrie, pistakel, spiktakel
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
laweit , leweît , zelfstandig naamwoord, onzijdig , lawaai
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
laweit , lawèèt , zelfstandig naamwoord , "ook: lawaai, lewaai; laweit, lawaai; Daamen, Handschrift 1916 ""ge mot do'r zo'n lawait nie moaken (geweld, rumoer)""; WBD III.4.4:244 'laweit = lawaai, ook geweld , 'spektakel'; EWN 'Met het oorspr. Amsterdamse woord lawaai heeft laweit etymologisch niets te maken.' z.o. Dozy en Lokotsch. WNT LAWEIT - lawijt, laweet, lauweit; een ten Z. v.d. Moerdijk alg. gebruikelijk woord van onbekenden oorsprong. 2) rumoer, spektakel, lawaai"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal